Is er een uitzondering op het werkwoord "willen" als het gaat om de tegenwoordige tijd?

Zo zie ik op tv bijvoorbeeld dat ze schrijven "hij wil dat niet", zou het niet moeten zijn "hij wilt dat niet" volgens de regels?

Het gaat dus om de manier van schrijven en niet om de uitspraak.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het is gewoon 'hij wil'. Bij hij is het de stam. Toegevoegd na 4 minuten: Correctie: hij is natuurlijk niet altijd de stam. Het is uiteraard wel 'hij fietst' stam+t of 'hij smeert' Toegevoegd na 16 minuten: http://www.onzetaal.nl/taaladvies/advies/de-klant-wil-wilt-kwaliteit Toegevoegd na 29 minuten: Nog even voor de duidelijkheid: bij de vorm 'hij' is het altijd stam+t. Het werkwoord 'willen' is inderdaad een uitzondering op deze regel, daarbij is het namelijk 'hij wil'.

Bronnen:
http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/willen

Niet alleen bij het werkwoord willen, dus het is geen hele rare uitzondering. Bij de meeste werkwoorden krijgt de vorm van de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud de uitgang -t. De onregelmatige werkwoorden die uitzonderingsgevallen zijn: kunnen, zullen, mogen en willen, én het werkwoord zijn (hij is). De vorm voor de derde persoon enkelvoud is bij kunnen, zullen, mogen en willen gelijk aan die voor de eerste persoon: hij kan, hij zal, hij mag, hij wil. In die delen van het taalgebied waar de uitgang -t vaak komt te vervallen (hij heef, hij blijf enzovoort), is wel eens sprake van verwarring en wordt de -t soms hypercorrect toegevoegd: hij wilt.

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/384/

Dit is gewoon de normale vervoeging van willen. Niet alle werkwoorden zijn immers volgens de standaard regels te vervoegen. De vorm wil, die wij nu gebruiken als tegenwoordige tijd enkelvoud, gaat terug op een zogenoemde aanvoegende wijs.

Bronnen:
http://www.vertalen.nu/vervoeging?taal=nl&...

In 'hij wil dat niet' is inderdaad alleen 'wil' juist. Dit is eigenlijk vreemd omdat in de derde persoon altijd een 't' achter de stam komt. Hij/zij/het wil is dus een uitzondering. Zo zijn er nog enkele werkwoorden die volgens deze uitzonderingsregel vervoegd worden namelijk; mogen, zullen, kunnen. Deze afwijkingen zijn alleen te verklaren vanuit het ontstaan van deze werkwoordsvormen. Bij de werkwoorden mogen, kunnen,willen en zullen is de tegenwoordige tijd ontstaan vanuit een sterke werkwoordsvorm. Bij de meeste sterke werkwoorden kwam vroeger in het enkelvoud van de verleden tijd een andere klinker voor dan in het meervoud. Zo was het 'hi bant'- 'si banden' ( nu= hij bond- zij bonden). Toen de verledentijdsvormen mag, kan, zal, in de loop der tijd de functie van tegenwoordige tijd gingen vervullen behielden deze enkelvoudsvormen hun 'a' hij mag, zal, kan En ze behielden nog een kenmerk van de verleden tijd bij sterke werkwoorden: er kwam geen 't' achter. Het is bijv. ook; hij viel, hij liep, hij wou. zonder 't'. In de vaktaal worden kunnen, mogen, zullen en willen 'preteritopresentia' genoemd; werkwoorden waarvan het presens (=tegenwoordige tijd) op een sterke preteritumvorm(= verledentijdsvorm) teruggaat. Overigens is ook jij wil, jij mag, jij zal en jij kan juist. Jij mag bijv. is in gebruik gekomen onder invloed van ik/ hij/ zij/ het mag. Een taal houdt (soms) van efficiëntie; mag als vorm voor álle enkelvoudsvormen (ik/ jij/ zij/ het/ mag (zal, wil, kan) is bijzonder efficiënt.

Bronnen:
www.onzetaal.nl

Al schrijvende is het "hij wil". Andere vervoegingen met hij wil, zijn "hij wil", hij wilde/wou", "hij zal willen". Is het gebiedende wijs (je geeft bijv. een bevel of je hebt een wens die kenbaar gemaakt wordt) dán wordt het inderdaad "hij wilT". In dit geval is het een wens, die kenbaar gemaakt wordt omdat hij "dat" niet wilt. Dus klopt het inderdaad dat "hij wil dat niet", niet goed is grammaticaal gezien. En moet het inderdaad "hij wilt dat niet" zijn. http://nl.wiktionary.org/wiki/willen/vervoeging

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100