wanneer gebruikje soms een dt -kijk hieronder-?

bijv vindt of wordt wanneer gebruik je een dt weet iemand dat?

Weet jij het antwoord?

/2500

Bij de vervoeging van werkwoorden wordt in de tegenwoordige tijd voor de eerste persoon enkelvoud (ik) de stam gebruikt. Bij de tweede en derde persoon enkelvoud in principe de stam met een t erachter. Echter niet als de tweede persoon jij of je is en de persoon achter de persoonsvorm staat. Als de regel ertoe zou leiden dat een persoonsvorm zou eindigen op -tt, wordt de extra t niet geschreven. Wel wordt de extra t na een d geschreven. Dit leidt nog al eens tot verwarring en men spreekt van het dt-probleem. Een dt aan het eind kan voorkomen bij een werkwoord in de tegenwoordige tijd bij de tweede of derde persoon enkelvoud, dus na jij, je, gij, ge, u, hij, zij, het, enzovoorts. Toegevoegd na 3 minuten: Bij de derde persoon enkelvoud geldt de standaardregel stam + t, dus: * hij gaat * zij slaapt * het valt Wanneer een stam op een d eindigt, komt de extra t óók achter de stam te staan, dus: * hij houdt * zij bidt * het bloedt * jij vindt * gij landt * u biedt Maar als het werkwoord voor het onderwerp staat dan valt bij jij en je de eind-t weer weg: * houdt hij * bidt zij * bloedt het * vind jij * landt gij * biedt u Toegevoegd na 6 minuten: Bij de tweede persoon geldt dit ook: * jij zingt * gij spreekt * u wandelt Alleen vervalt de eind-t bij jij en je als het werkwoord vóór deze voornaamwoorden staat: * zing jij

Bronnen:
http://nl.wikibooks.org/wiki/Nederlands/Re...

Tip: haal eerst -en van het hele werkwoord af. Dan houd je de stam over: worden = word. Vervang dat woord in de zin waar het om gaat door dezelfde vorm van lopen: jij loopT, dus is het ook jij wordT. Zo merk je ook gelijk dat het anders moet bij een andere woordvolgorde: loop jij? word jij? (dan dus zonder die extra t).

Ik heb altijd geleerd het woord te vervangen door "lijken". Word snel lid! Is zonder t, want het is: lijk snel lid. Wordt deze vraag als goed bevonden? Is met dt, want het is ook: lijkt deze vraag?

je gebruikt NOOIT dt. Het is altijd een d of een t. Als je ergens aan het einde een d en een t ziet staan, betekent dat dat het werkwoord al een d had. Dus: laden -> stam = laden - en => la[+a]d => Hij Laadt.

Er komt nooit een extra 't' achter een woord in de ik-vorm. Een woord dat eindigt met '-dt' komt dus in dit geval niet voor. In de hij/zij/het-vorm komt een woord dat eindigt op '-dt' wel voor. Bij deze vorm moet je eerst de stam opschrijven (dat is hetzelfde als de ik-vorm) en daar plak je een 't' achter. De regel die geldt is: stam+t Hoe werkt dat in de praktijk? Schrijf eerst de stam op van het woord en voeg hier een '-t' achter. Voorbeeld: De kat *doden* het muisje. Van het woord 'doden' moet je nu de juiste vorm schrijven. De stam van 'doden' is 'dood' Voor de hij/zij/het-vorm geldt stam+t, dus het wordt: De kat *doodt* het muisje.

Het werkwoord is het woord dat werkt, het doet dus iets. Werkwoorden zijn bijv; slapen, lopen, liggen,worden,zelfs een woord als "zijn" want het zegt iets over het onderwerp dat erbij hoort ( meestal een persoon, dier of ding= dit zijn de zelfstandige naamwoorden)Van zijn komt dus 'is' of ben(t) nl. ik ben, jij bent, hij is, het is,zij is, wij zijn, zij zijn, jullie zijn. Neem nu het hele werkwoord; 'worden'. Je zegt niet ik worden dus je neemt de stam, die krijg je door er de "en" af te halen. De stam is dus nu "word". Ik hoef niets extra dus bescheiden als ik ben krijg ik alleen de stam, dus geen"t" erbij Jij of je bent niet zo bescheiden, jij krijgt er een "t" bij, behalve als je achteraan sluit dus achter het werkwoord komt. Zo krijg je; ik word, je(jij) wordt, maar word je(jij).Wij twee zijn dus bescheiden en krijgen geen "t" achter de stam.Alleen dus als je voor het werkwoord staat krijg je een "t". De rest;'hij, zij, het, of de man, het paard, het kind, de vrouw, het boek, krijgen allemaal een "t" achter de stam, dus het kind wordt, hij wordt, zij wordt. Nu heb je werkwoorden zoals bijv. vinden,houden. Neem nu de stam (dus min -en-) krijg je vind. Ik en je( jij) achter het werkwoord krijgt alleen de stam ; ik vind, vind je, vind jij de rest is allemaal stam+t. Je(jij) vindt, hij vindt zij vindt.Staan er nu 2 medeklinkers in het midden zoals bij "bidden"bijv. dan wordt de stam afgekapt tussen de 2 medeklinkers je krijgt dus nooit " ik bidd maar ik bid, jij bidt, zij bidt maar bid jij, bid je. Een lang woord zoals "beïnvloeden",ik beïnvloed,beïnvloed jij, het beïnvloedt, hij beïnvloedt, alles gaat zo verder.Bij wij,zij en jullie komt altijd het hele werkwoord.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100