Hoe kan je iemand van 15 dtjes en tjes leren?

Ik heb het vroeger geleerd met het vervoegen van het werkwoord koken en dat werkt goed voor mij. Maar is er wellicht een goede methode op internet of is er een boek waardoor iemand dit gaat snappen?

Toegevoegd na 25 minuten:
ik weet zelf wel hoe het werkt maar hoe breng je het over?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Er staan hierboven al hele goede tips, maar ik wil er toch nog een toevoegen: de smurf-truc. Ik ben zelf docent Nederlands en gebruik hem altijd in de klas. Mijn zestienjarigen snappen hem ;-) Als de stam van een werkwoord eindigt op een -d, dan hoor je in de tegenwoordige tijd in het enkelvoud niet of er een -t achter moet of niet (Brand(t) jij je vingers?) (Hij kleed(t) zich goed). Vervang het werkwoord door een vervoeging van het werkwoord smurfen en dan hoor je gewoon of er een t achter moet of niet. (Smurf jij je vingers?) (Hij smurft zich goed) N.B. Ik heb ook wel eens geprobeerd om dit uit te leggen met bijv het werkwoord lopen, maar dan lieten leerlingen soms 'lopen' in de zin staan. Met 'smurfen' zien ze meteen dat het niet het goede werkwoord is.

Met behulp van 't kofschip? daar heb ik het mee geleerd. Wiki linkje onder

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/%27t_Kofschip

Als je de uitgang in de verleden tijd bedoelt: Pak het hele werkwoord. Haal daar -en vanaf. Bijvoorbeeld: Branden -en is Brand. Kijk dan naar het geheugensteuntje 'T KoFSCHiP, zit de laatste letter van de vorm zonder -en in dat woord (-ch) is één letter, dan moet er een T achter in de verleden tijd. De laatste letter bij ''Branden'' is de D, en er hoeft in de VT dus geen t achter, maar een D. Dan krijg je dus: Hij brandde. (Vergeet de dubbel D niet omdat er ook een D in de vorm zonder -en zit.)

Ik maak van elk werkwoord een bijvoegelijk naamwoord, dan weet ik meteen of het een d of een t moet zijn. Bijvoorbeeld: het werkwoord leren. De geleerde stof. Geleerd is dus met een d. Nog een voorbeeld het werkwoord dromen. De gedroomde vrouw. Dus gedroomd is met een d. Misschien heb je wat aan deze tip. Bij mij werkt het in ieder geval heel erg goed.

Ik ken de methode van t'kofschip. Mocht het jou niet lukken, neem extra bijlessen voor dat kind. Ze snappen het beter als een buitenstaande het verteld.

Leg het uit met behulp van vervoegingen van het werkwoord 'lopen'. Vervang je het werkwoord in de zin waar je moeilijkheden hebt met 'loopt', dan komt bij het origineel ook een t er achter. Bijvoorbeeld: "Hij wordt continue gepest -> Hij loopt continue gepest." Als je niet zeker bent of het wordt of word is maak je er loopt van. Loopt eindigt op een t, dus wordt ook. De zin klopt niet natuurlijk, het slaat nergens op, maar het wordt wel duidelijk! (...maar het loopt wel duidelijk!) "Ik weet niet zeker of hij die al had -> Ik weet niet zeker of hij die al liep". Liep (verleden tijd) eindigt niet op een t, dus 'had' ook niet. "Zo zie ik je al een tijdje rondlopen, maar word je niet gek van al die vragen? -> Zo zie ik je al een tijdje rondlopen, maar loop je niet gek van al die vragen?" Ditmaal is het loop, dus zonder t. Word is dus in deze zin ook zonder t.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100