vaak kan je een voltooid deelwoord op verschillende plaatsen in de zin zetten. Bij andere niet. wat is de reden?

Bijvoorbeeld :
Ik heb geluisterd naar mooie muziek.
Ik heb naar mooie muziek geluisterd.
Maar:
Hij heeft een auto gehuurd.
En niet: Hij heeft gehuurd een auto.
Wat is de grammaticale regel hiervoor?

Weet jij het antwoord?

/2500

Neem de eerste zin; 'ik heb geluisterd naar mooie muziek'.... Alleen door het woordje 'naar' kan je de zin ook veranderen in 'ik heb naar mooie muziek geluisterd'. Dit woordje 'naar' is het voorzetselvoorwerp (het voorzetsel + het zelfstandig naamwoord/ voornaamwoord dat erachter staat). Veel werkwoorden worden altijd gecombineerd met bepaalde voorzetsels bijv; luisteren/kijken/zoeken NAAR..... wachten OP..... vechten TEGEN/VOOR....praten OVER.....berusten IN enz. In de tweede zin; 'hij heeft een auto gehuurd' is altijd een vaste volgorde. Het basisprincipe is dat een korte Nederlandse zin wordt opgebouwd in delen. In het linkerdeel begint de zin altijd met het onderwerp en de persoonsvorm en eindigt dan met de overige werkwoorden. In het midden staan dan de tijd/plaats/lijdend voorwerp. Er kan dus dan staan; 'Hij heeft gisteren in Amsterdam een auto gehuurd'. Toegevoegd na 4 minuten: Grammatica is al lastig en de zinsopbouw/volgorde is een van de lastigste onderdelen in onze taal. Een heel goede uitgebreide uitleg vind je hier; http://www.dutchgrammar.com/nl/?n=WordOrder.01

Dat komt omdat "een auto" lijdend voorwerp is. Als er een "voorwerp" in de zin zit (denk aan lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp) dan kan het voltooid deelwoord niet meteen na de persoonsvorm komen. Voorbeeld: "Hij heeft een ijsje gegeten op het terras van de snackbar". "Een ijsje" is lv. Hierdoor is een zin als: "Hij heeft gegeten een ijsje..." niet mogelijk. Als je "een ijsje" weg laat, heeft de zin geen "voorwerpen" meer, alleen nog een bepaling. Die kun je voor en na het voltooid deelwoord kwijt: "Hij heeft gegeten op het terras van de snackbar" of "Hij heeft op het terras van de snackbar gegeten". Bij een meewerkend voorwerp zie je hetzelfde verschijnsel. "Hij heeft hem gisteren een kans gegeven". "Hem" is mw, "een kans" lv. Een zin als "Hij heeft gisteren gegeven hem een kans" is kromtaal. Dat "hem" moet voor het voltooid deelwoord. Nog een, maar nu zonder voorwerpen. "Op een dag in maart is hij met goede cijfers geslaagd voor zijn examen". Die kun je bijv. veranderen in: "Op een dag in maart is hij geslaagd voor zijn examen met goede cijfers."

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100