Wanneer toepassen hen/hun/zij?

Ik weet dat hen wordt toegepast bij lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Hun bij bezittelijk en wanneer het een meewerkend voorwerp betreft zonder voorzetsel. Toch? De uitleg die ik bij 'zij' kan vinden is dat het niet moet verwijzen naar personen. Kan iemand mij bovenstaande uitleggen met voorbeelden waarin de verschillen duidelijk en wellicht minder duidelijk te zien zijn? Ik heb gemerkt dat het opeens niet meer helder voor mij is.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

""Zij, ze"" valt in het rijtje Ik, jij, hij, zij, het, wij, jullie, u, gij, zij. Dus Hij loopt, zij loopt, zij lopen, jullie lopen. Dat is de dus de categorie eerste persoon. Truc is dus: je denkt gewoon aan het werkwoord erbij. Ik fiets, jij fietst, jullie fietsen, zij fietsen. (Woorden als hullie en zullie is niet volgens de regels). Je denkt dus gewoon ""ik"" en dan wordt het dus een keuze uit het rijtje ""ik, jij enzovoort"". Zij fietsen, zij lachen, zij wonen. Enkele voorbeelden: Ik geef hem een boek, ik geeft het hun. Ik heb het hun gevraagd. Ik zal hen wel vinden, ik zie hen aankomen ( dan is het lijdend voorwerp). Ik zal het hun geven, heb je hun al geroepen ( derde persoon meervoud in directe objectsvorm). In feite is het een kwestie van uit je hoofd leren ( dat moesten wij vroeger gewoon op school!!) en oefenen. Helaas horen we het vaak fout en dan schiet het niet zo op. Succes! Als je eens een woordenboek te pakken kunt krijgen, neem dan de Van Dale, daar vind je iets over hun en hen. Ik heb die voorbeelden deels daaraan ontleend.

Zij gebruik je als plek voor hun Veel mensen zeggen bijvoorbeeld Hun rennen. Dat is compleet fout... Het moet zijn: ZIJ rennen Als het over een bezits voorwerp gaat is het wel goed: Hun auto. Zij auto is dan niet goed! Dat merk je eigenlijk ook wel :P

Gebruik HEN in de volgende gevallen: Na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: 'Ik geef het boek aan hen'; 'Ik deed het voor hen'; 'Zijn houding jegens hen'; 'Hoe gaat het met hen?'; 'Hij blijft altijd bij hen'; 'De mensen stonden om hen heen.' Als lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: 'Ik bekijk hen'; 'Hij ontslaat hen'; 'Zij mijdt hen.' Gebruik HUN in de volgende gevallen: Als bezittelijk voornaamwoord: 'Hun auto is stuk.' Als hun vervangbaar is door een voorzetsel + hen (aan hen, voor hen, bij hen, volgens hen, etc.) of een voorzetselgroep + hen (met betrekking tot hen, ten aanzien van hen e.d.). Het is dan een indirect object (een meewerkend, belanghebbend, bezittend of ondervindend voorwerp). Voorbeelden: Ik geef hun het boek. (hun = 'aan hen') Hij schonk hun een kopje koffie in. (hun = 'voor hen') Hij rookt hun te veel. (hun = 'volgens hen, wat hen betreft') China is hun te ver. (hun = 'voor hen') De tranen stonden/sprongen hun in de ogen. (hun = 'bij hen') Lukt het u niet om met deze vuistregels uw twijfel op te lossen, gebruik dan ze. In niet al te formele teksten is dit vaak prima bruikbaar als alternatief voor hen én hun: 'Ik geef ze (hun) het boek', 'Laat ze (hen) maar praten.' Let op: hen en hun kunnen alleen gebruikt worden als er naar personen wordt verwezen; als het om voorwerpen, zaken en dergelijke gaat, is doorgaans alleen ze mogelijk. --------------- Dan heb je nog ZE: Mag je ze gebruiken in plaats van hen of hun? Bijvoorbeeld in ‘Onze adviseurs staan voor u klaar: u kunt ze altijd bellen.’ Ja, dat mag. Ze is de zogenoemde ‘gereduceerde vorm’ van hen en hun. Deze gereduceerde vorm kan gebruikt worden als het woord niet benadrukt wordt: 1a. Ik heb hen gisteren nog gezien. 1b. Ik heb ze gisteren nog gezien. 2a. Wat staat hun te wachten? 2b. Wat staat ze te wachten? 3a. Heb je nog iets van hen gehoord? 3b. Heb je nog iets van ze gehoord? ---------------- Zij is ook een verwijzing naar haar: Het boek is van haar. Zij heeft het gisteren gekocht (net als hij). --------------------- HUN als onderwerp moet je vermijden en vervangen voor ZIJ of ZE: 'Zij hebben dat gedaan.'

Bronnen:
http://www.onzetaal.nl/

Als in de zin de klemtoon ligt op hen of hun én het betreft personen, dan kun je hen of hun vervangen door 'ze'. Je hebt hen te pakken=je hebt ze te pakken Ik heb hun een snoepje gegeven= ik heb ze een koekje gegeven. Met hen of hun kun je niet naar zaken verwijzen. Je kunt dus niet zeggen; Mijn voetbalschoenen, waar heb je hen/hun gezien? Zodra je naar zaken verwijst, gebruik je het woord 'die'- als daar de klemtoon op ligt- of het woord 'ze'. Mijn voetbalschoenen, waar heb je die/ze gezien? Hun gebruik je als bezittelijk voornaamwoord; Hun huis is erg mooi, Hun hond blaft veel Hun gebruik je als het de functie heeft van meewerkend voornaamw. waar géén voorzetsel voor staat; Ik heb hun het boek gegeven, Ik deel het hun mee. Tip; je hebt met een meew. voorwerp te maken als je 'hun' kunt vervangen door 'aan hen'. Hen gebruik je als het woord de functie heeft van lijdend voorwerp; Ik zie hen lopen (wie zie ik lopen?-hen-) Ik heb hen gezien (wie heb ik gezien?-hen-) Tevens gebruik je het na een voorzetsel; Ik geef het boek aan hen, Ik zong het lied voor hen, Ik ging naast hen zitten.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100