Komma op juiste plaats zetten? Hoe makkelijk aan te leren?

Ik plaats de komma vaak op verkeerde plekken, daar heb ik een oplossing voor geprobeerd (de zin oplezen), maar ook hiermee hoor ik niet waar de komma wel moet staan.

Is er een makkelijke manier om de komma altijd op de goede plek te plaatsen?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Een praktische manier van oplossen (zonder al te veel regeltjes en nadenken) is, dat op het moment wanneer je rustig adem kunt halen tijdens een zin, dáár de komma meestal wel geplaatst kan worden. (Alleen gewoonlijk niet voor het voegwoordje 'en'). Ga er van uit dat een komma vooral bedoeld is als leesteken, dus als je met de komma de lezer helpt bij het lezen, komma, dán is het goed.

Als je bij het uitspreken van de zin uuh dreigt te gaan zeggen dan komma plaatsen. Voor het woord en komt nooit een komma.

Nee, helaas is er geen makkelijke manier om te weten waar je de komma moet plaatsen en of je er een moet plaatsen. Er zijn namelijk verschillende komma's, sommigen zijn noodzakelijk (bijvoorbeeld om hoofd- en bijzinnen van elkaar te scheiden, of bij opsommingen), anderen zijn een keuze (bijv. om lange zinnen duidelijker te maken). Ik vind deze site van de Nederlandse Taalunie erg duidelijk over wanneer en waar je de komma moet plaatsen. http://taaladvies.net/index.php?label=komma

Daar waar je een punt kan zetten kun je een komma plaatsen. Dat is een eenvoudige stelregel.

Komma gebruik je; - tussen 2 persoonsvormen (Als het meezit,wordt Ajax kampioen) - tussen de delen van een opsomming (jas, broek,sokken en een shirt *voor 'en' geen komma) - tussen 2 bijvoeglijke naamw die vóór een zelfstandig naamw. staan ( de heldere, blauwe zee) - bij vermelding van een aangesprokene (Eva, kom eens hier) - bij een uitbreidende bijzin ( appels, die groen zijn, kun je eten. - bij een bijwoordelijke bijzin ( Toen hij aankwam, gingen de fans uit hun dak) - voor en na een tussenzin ( Die doelman, we spraken al eerder over hem, is niet zo goed als we dachten)

1. Je zet een komma bij woorden als ach, hé, tja, nietwaar, helaas. Voorbeeld: Ach, wat smaakt zo'n pannenkoek toch lekker! 2. Je zet een komma tussen twee werkwoorden uit verschillende werkwoordelijke gezegdes die naast elkaar staan. Voorbeeld: Toen het beslag klaar was, kon de eerste pannenkoek gebakken worden. 3. Tussen de delen van een opsomming zet je komma's (of het woord en) Voorbeeld: Houd jij van pannenkoeken, wafels en poffertjes? 4. je zet voor de woorden -maar- en -want- altijd een komma. Voorbeeld: De meeste leerlingen willen tot twaalf uur blijven, maar dat vindt de mentor niet goed. Tamara gymt vandaag niet mee, want haar enkel is geneusd. 5. Als iets nog eens met andere woorden wordt gezegd, zet je het tweede gedeelte tussen komma's. Voorbeeld: Keanu, een jongen uit mijn klas, is een dag geschorst. 6. Een aanspreking is altijd door een komma van de rest van de zin gescheiden. Voorbeeld: Demi, ga jij ook naar het feest? 7. Als de aangehaalde woorden vooraan staan, gebruik je aanhalingstekens en zet je er een komma achter. Voorbeeld: 'Dan gaan we gezellig winkelen', zei Ivy. 8. Als de aangehaalde woorden vooraan staan en verderop in de zin weer verder gaan, zet je er een komma achter en gebruik je verderop in de zin weer aanhalingstekens. Voorbeeld: 'Ik kan niet mee', zei Ruard, 'ik moet naar de orthodontis.' 9. Na de aanhef en de groet in een brief zet je een komma. Voorbeeld: Met vriendelijke groeten, Locman Tang.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100