waarom zeg je: mag ik "het" zout en "de" suiker?

Hoe zit dit grammaticaal in elkaar?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Eerst even dit: mannelijke en vrouwelijke woorden zijn "de", onzijdige woorden zijn "het".Omdat zout een onzijdig woord is, gebruik je dus "het".Suiker daarentegen is een mannelijk woord, waarvoor je "de" gebruikt. Veel mensen weten niet van het bestaan van geslachten van woorden in het nederlands, waardoor ze dingen zeggen als:"dat is gewoon zo"

Beide zijn het zelfstandige naamwoorden, maar zout is onzijdig en suiker is mannelijk, vandaar het en de.

Zout is een onzijdig woord, het is niet anders :-) Volgens de dikke van dale mag je trouwens wel 'de zout' zeggen in sommige gevallen. Dat noem je een 'metonymie'. Wanneer je zegt: 'mag ik de zout' bijvoorbeeld. Er mag hier volgens deze taalregel verondersteld worden dat 'de zoutstrooier' wordt bedoeld. :-) Een ander bekend voorbeeld is: 'er zit zeep in je oor'. Dit is feitelijk onjuist, omdat er geen stuk zeep in je oor zit. Wat eigenlijk correct zou zijn is: 'er zit zeepsop in je oor'z . Toch weet iedereen wat wordt bedoeld!

Bronnen:
www.onzetaal.nl

Dat komt door de woorden die er achter worden weggelaten tegenwoordig: het zout(vaatje) de suiker(pot) dus het is eigenlijk spreektaal

En wat zou nederlands zijn zonder uitzonderingen. Er zijn woorden waar je de en het voor mag zetten. Zo dus ook bij zout.

Alles wat hieronder staat is natuurlijk wel waar. Maar als je er niet achter kan komen of het nou onzijdig is enzo kan je natuurlijk altijd een beetje gaan denken van: 'De zout' 'het suiker' dat klinkt niet lekker dus kan je bij de meeste woorden wel nagaan wat het is. ;)

Omdat je daar op dat moment behoefte aan hebt. Je hebt zojuist een lekker vers eitje gepeld, dan vraag je toch, mag ik het zout?

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100