Wanneer schrijf je in een woord t en wanneer schrijf je tt?

Weet jij het antwoord?

/2500

Dat doe je voor de uitspraak, maar ook bijvoorbeeld in de verleden tijd als er al een t achterstaat: praat - praatte

Als een woord in de stam eindigt op een t en je het in de verleden tijd moet zetten. B.v: Zetten -->stam = Zet--> verleden tijd is +te bij enkelvoud en +ten bij meervoud. Dus zet+te = zette :)

T of tt komen voor bij zwakke werkwoorden. Het is dan zo, dat als de laatste letter van de stam in ’‘t ex-kofschip’ zit, je te krijgt. Als in een woord twee t’s zitten, komt dat omdat er al een t in de stam zit. Even een voorbeeld voor de duidelijkheid: Dansen: Ik danste. S zit in ‘t ex-kofschip—> stam + t = dans+te. Haten: Ik haatte. T zit in ‘t ex-kofschip—> stam + t = haat+te. Bij het werkwoord haten zie je dus dat je twee t’s krijgt, maar in principe is de eerste t gewoon van de stam.

Soms ook doordat je het anders verkeerd uitspreekt. Zij let op mij. Zij letten op mij, anders staat er leten op mij.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100