Een bijdehand meisje is een bijdehante tante. Waarom in het ene woord een D en in het andere een T ?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

De verbogen vorm van bijdehand is bijdehante. Toelichting De oorsprong van het bijvoeglijk naamwoord bijdehand is nog doorzichtig: de voorzetselgroep bij de hand. De d van hand wordt aan het eind van het woord weliswaar als een t uitgesproken, maar in de meervoudsvorm handen en andere afleidingen als handel, handelen, handeling en handig wordt een d gehoord. Volgens de regel van de gelijkvormigheid behouden we de spelling met d daarom ook in bijdehand. In het Nederlands worden bijvoeglijke naamwoorden in de regel verbogen door -e toe te voegen (eventueel met klinker- of medeklinkerverandering): groot - grote ogen, lief - een lieve meid, cool - coole T-shirts, gestrest - gestreste mensen, wit - witte muren. De verbogen vorm van bijdehand is echter niet bijdehande maar bijdehante. Dat heeft te maken met de uitspraak. Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden op -d behouden bij verlenging de spelling met d: koud - een koude winter, blind - een blinde man. In de verbogen vorm wordt de d in de regel stemhebbend uitgesproken. Volgens het beginsel van de gelijkvormigheid schrijven we de onverbogen vorm eveneens met een d, ook al wordt die d dan stemloos uitgesproken. In tegenstelling tot andere verbogen vormen van bijvoeglijke naamwoorden op d, spreken we de verbogen vorm van bijdehand niet uit met [d], maar met [t]. Omwille van die stemloze uitspraak schrijven we ook een t in de spelling: bijdehante. Ook de vergrotende trap van bijdehand wordt met een t gespeld: bijdehanter. In de overtreffende trap verschijnt de d weer: bijdehandst.

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/123/

Bijdehand is een uitzonderlijk woord. Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een d, behouden normaal gesproken die d als ze verbogen worden (als er een e achter komt). Het is immers: mijn gezonde tante, mijn betoverende tante. Bijdehand werd vroeger echter zelden of nooit gebruikt vlak vóór een zelfstandig naamwoord, maar altijd in zinnen als Zij is bijdehand en Doe niet zo bijdehand. Bijdehand werd dus nooit verbogen en klonk daardoor altijd als [bijdehant]. Toen het later ook vóór zelfstandige naamwoorden werd gebruikt, spraken de meeste mensen het verbogen woord uit als [bijdehante] en gingen velen die uitspraak-t ook schrijven: bijdehante uitspraken.

Bronnen:
www.onzetaal.nl

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100