"Wie voor een dubbeltje geboren is zal nooit een kwartje worden". Ben je het daarmee eens? En waarom wel of niet?

Toegevoegd na 4 minuten:
Sorry, ik zie net dat die vraag pas is gesteld. Ik ga hem zo weer sluiten.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Mijn man en ik komen allebei uit een arbeidersgezin, hij uit een klein gezin en ik uit een groot gezin. We zijn begin jaren vijftig geboren voor een dubbeltje Begin jaren zestig was in onze milieu`s doorleren als je naar de ulo ging. Kinderen uit de hogere milieu`s gingen naar de hbs of naar het gymnasium. (dit alles was voor de mammoetwet) Mijn jongste broer en zus kregen, begin jaren zeventig, meer kans om door te leren, zij hebben dan ook de havo en de lerarenopleiding kunnen doen. Er was in die tijd veel meer aandacht voor de ontwikkeling van kinderen en ook was de financiële situatie in Nederland sterk verbeterd! Mijn man heeft, door avondstudie`s te volgen, zijn positie op de arbeidsmarkt sterk kunnen verbeteren en heeft nu een leidinggevende functie. Zelf ben ik, toen de kinderen naar school gingen ook weer gaan werken (parttime). Hierdoor zijn wij nu dus wel een kwartje geworden. Onze eigen kinderen hebben een universitaire studie kunnen doen, waar wij heel blij mee zijn. Je kan je dus, maar je moet dan wel over de capaciteiten beschikken en een flinke dosis geluk hebben, opwerken van een dubbeltje tot een kwartje. Toch blijft het "dubbeltjesgevoel" altijd op de achtergrond zeuren en ben ik altijd een beetje bang dat ik door de mand val, door te weinig kennis.

Wie voor een dubbeltje geboren wordt … Of een kind later een goed inkomen zal krijgen, wordt in belangrijke mate bepaald door het opleidingsniveau van de ouders en de financiële positie van de ouders. Opleiding ouder bepaalt opleiding kind Het opleidingsniveau van de ouders is van groot belang voor het opleidingsniveau van hun kinderen. Kinderen van laagopgeleide ouders zijn vaak zelf ook laagopgeleid. Er is wel een generatie-effect. De 25–44-jarigen met laagopgeleide ouders hebben zes keer meer kans om zelf ook laagopgeleid te zijn dan 25–44-jarigen met hoogopgeleide ouders. Bij de oudere generatie is deze kans groter: 45–64-jarigen met laagopgeleide ouders hebben elf keer meer kans op een laag opleidingsniveau dan 45–64-jarigen met hoogopgeleide ouders. Kans op laag opleidingsniveau, 2005 Inkomen ouder beïnvloedt opleiding kind De vroegere financiële situatie van de ouders speelt ook een rol. Maar ook dit verband verloopt via het opleidingsniveau. Kinderen van wie de ouders regelmatig financiële problemen hadden, hebben bijna twee keer zoveel kans om laagopgeleid te zijn als kinderen met ouders zonder financiële problemen. Dit geldt voor zowel 25–44-jarigen als voor 45–64-jarigen. Eigen opleiding bepaalt inkomenspositie De inkomsten van mensen met een hoge opleiding zijn hoger dan van mensen met een lage opleiding. Laagopgeleiden hebben vier keer meer kans op een laag inkomen dan hoogopgeleiden. Zij zijn vaker te vinden in de onderste regionen van de inkomensverdeling. Tussen de beide generaties is vrijwel geen verschil. Er is geen rechtstreeks verband tussen opleiding en inkomen van de ouders en de inkomenspositie van de kinderen.

Bronnen:
http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/inkome...

Hoewel de vergelijking er één van centen is, heeft het in de praktijk daar toch niet alles mee te maken. Het heeft eigenlijk meer te maken met afkomst / status, die je -ondanks dat we in een redelijk status-loze samenleving leven en mensen uit alle lagen van de bevolking in alle beroepsgroepen te vinden zijn- niet echt kunt verloochenen. Wie van zeer goede komaf is, heeft toch een bepaalde mate van 'beschaving'/ ontwikkeling meegekregen (waar je overigens over kunt discussieren hoor) die zich blijft kenmerken, bijvoorbeeld door smaak en spraak. Hetzelfde geldt voor een uitgesproken lage komaf. Voorbeelden hiervan zie je heel mooi uitgewerkt in bijvoorbeeld Pygmalion (beter bekend in de versie van My Fair Lady) waarin iemand denkt een straatmeisje te kunnen omtoveren in een dame, maar de 'binnenkant' uiteindelijk niet weet te bewerken, zodat ze ondanks kleding en spraak altijd weer door de mand zal vallen. Ook in the Prince and the Pauper (Mark Twain ; misschien beter bekend als de Prinses en de Bedelaar van Barbie :lol: )zien we zoiets gebeuren. De boodschap van beide is natuurlijk niet helemaal dezelfde. Ik denk dat er best iets in zit. Je jeugd vormt je nu eenmaal voor een heel groot gedeelte, en hoe overduidelijk je je daar ook van wilt distantieren, je komaf verloochent zich niet. Boudewijn Buch en Theo van Gogh bijvoorbeeld konden ondanks hun uiterlijk en hun gedrag hun tamelijk erudiete roots beslist niet voldoende verbergen om de schijn op te kunnen houden. De kwartjes wilden maar geen dubbeltjes worden. En voetballers (en hun vrouwen) blijven ergens altijd duidelijk dubbeltjes. Is niet erg hoor, maar de buitenkant en de portemonnee houden uiteindelijk niemand voor de gek.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100