Vraag over kolomchromatografie.

Een tijd geleden hebben wij op school kolomchromatografie gedaan. Dit deden we met een mengsel van ethanol 75% en aluminiumoxide als dragersmateriaal. De oplossing die we gebruikten, bestond uit een geconcentreerde oplossing van safranine, methyloranje en broomkresolgroen in 75% ethanol.

Ik had de opmerking "eerst kwam er een gele kleur uit" neergezet, waar mijn docent op reageerde met "klopt dit met wat je verwachte?"

Had ik van tevoren kunnen voorspellen wat de eerste kleur had kunnen zijn? Hoe?

Weet jij het antwoord?

/2500

Met chromatografie kan je de bestanddelen van stoffen "ontrafelen" door ze door een vloeistof, gas of vaste stof te voeren. Omdat iedere stof een met een andere snelheid door het medium reist zal de snelste stof er als eerst uit komen. Dit geldt voor gaschromatografen, maar ook voor lagere school papierchromatografie. Als je wilt voorspellen wat de snelste stof is zou ik kijken naar redenen waarom een stof snel door het medium reist. Mijn beste guess zou de molecuul grootte zijn en kijkend naar je te onderzoeken stoffen lijkt dat inderdaad te kloppen. Toegevoegd na 4 uur: Molecuulgrootte alsin dat je verwacht dat grote moleculen trager zijn.

Misschien heb je wat aan deze test. Kolomchromatografie beoogt het scheiden van verschillende componenten uit een mengsel. Deze scheiding wordt veroorzaakt door het feit dat stoffen met verschillende polariteit met verschillende sterkte zullen intrageren met andere substanties. Hiervoor gebruiken we een kolom gevuld met silicagel (vast en behoorlijk polair) waarover we een mengsel van de te scheiden componenten laten samen met een eluens. Apolaire stoffen zullen weinig interactie met de silicagel vertonen, polaire stoffen daarentegen zullen sterk intrageren. Door het variëren van het gebruikte eluens kunnen we bepalen hoeveel interactie een polaire molecule vertoont met de silicagel (met een apolair solvent zoals petroleumether zal er veel interactie zijn, met een polair solvent zoals ethylacetaat zal het deeltje minder interactie ondergaan omdat het sterk meegesleurd wordt door het polaire eluens). We vingen maw 9.7 mg caroteen op en 13.5 mg tetrafenylcyclopentadiënon. Normaal gezien zou er 10 mg van elke component aanwezig moeten zijn in de 5 mL die op de kolom gebracht werd zodat de respectievelijke rendementen 97% en 135% bedragen. Een rendemenent van 135% is echter onmogelijk en werd waarschijnlijk veroorzaakt door restanten solvent en/of resten vetstof van de rotavapor. Aangezien het moleculair gewicht van caroteen 536 g/mol en dat van tetrafenylcyclo-pentadiënon 384 g/mol bedraagt bekwamen we 0.018097 mmol caroteen en 0.035156 mmol tetrafenylcyclopentadiënon. Hiermee kunnen we de molfracties bepalen: ncaroteen = 0.018097 / ( 0.018097 + 0.035156) = 0.339829 ntetrafenylcyclopentadiënon = 0.035156 / ( 0.018097 + 0.035156 ) = 0.660171 Aangezien ethylacetaat polairder is dan petroleumether kunnen we stellen dat de 10:4 verhouding het meest polaire eluens is. Product Y vergt een polairder eluens om dezelfde Rf-waarde te bekomen als product X en is daarom meer polair dan X. Om X en Y te scheiden gebruiken we eerst het eluens met de 10:1 verhouding op een polaire stationaire fase waarbij product X als eerste elueert (Y is polairder en intrageert dus meer met de polaire stationaire fase).

Ik vind dit best een moeilijke vraag, om het te voorspellen bedoel ik. Bij chromatografie komt de stof die het best oplost in de "loopvloeistof" en het slechtst hecht aan de drager er het eerst uit (of het verst op de drager). Als je de oplossing van de kleurstoffen zelf hebt gemaakt is dat misschien de aanwijzing, als er één veel sneller oploste dan de andere. Als de oplossing al klaarstond vind ik het zoals gezegd een heel moeilijke vraag

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100