Vetzuren met kortere ketens hebben lagere smeltpunten dan die met langere ketens. Hoe komt dit?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Het smeltpunt is een maat voor de som van de gehalten aan onverzadigde vetzuren en vetzuren met korte ketens. De smeltcurve geeft het verband weer tussen de temperatuur en het % van het vet dat vloeibaar wordt. Het smeltpunt van verzadigde vetzuren neemt toe met de ketenlengte en af met het aantal onverzadigde bindingen. Deze verschillen reflecteren zich ook in het gevormde vet, al is het smeltpunt van vetten hoger dan dat van de afzonderlijke vetzuren en ook hoger naarmate meer vetzuren zijn veresterd. Het smeltpunt van vet is niettemin een redelijk betrouwbare indicatie voor de ketenlengte en/of de mate van verzadiging van de vetzuren. Harde vetten, d.w.z. vetten met weinig onverzadigde vetzuren, hebben meestal een hoog smeltpunt. Vetten die bij kamertemperatuur vloeibaar zijn, noemt men oliën. De smelt- maar ook kristallisatie-eigenschappen van een olie of vet hangen samen met de vetzuursamenstelling en met de verdeling van de verschillende vetzuren over de vetmoleculen, de triglyceriden. Belangrijk hierbij is dat verzadigde vetzuren een hoger smeltpunt hebben dan onverzadigde vetzuren (verzadigde vetzuren zijn steviger dan onverzadigde vetzuren bij kamertemperatuur) en binnen de groep onverzadigde vetzuren zijn enkelvoudig onverzadigde vetzuren weer hoger smeltend (steviger) dan meervoudig onverzadigde vetzuren. Door geen enkelvoudige olie te modificeren maar een mengsel van oliën, is het nog beter mogelijk de functionaliteit van het eindproduct bij te sturen.

In het kort en bondig: De lengte van de keten zorgt voor meer interactie. Daarom is meer energie nodig om ze vrijelijk van elkaar te laten bewegen => Smelten. Dus moet de temperatuur omhoog.

De lengte van de ketens is vaak direct gerelateerd aan het smeltpunt. Meestal geldt hoe groter een molecuul, hoe hoger het smeltpunt (het zit meer "in de knoop" dan een klein molecuul) dus langere ketens geven daardoor een hoger smeltpunt. Bij vetten hebben echter wel bijv plantaardige vetten vaak een lager smeltpunt dan dierlijke vetten. Dit komt door de zg dubbele banden in de ketens waardoor een "knik" ontstaat en de afzonderlijke moleculen slecht stapelen (hetgeen de vaste substantie minder hecht maakt dus een lager smeltpunt). Er zijn ook nog andere interacties mogelijk, nl tussen moleculen. Water is hiervan een goed voorbeeld. Het heeft relatief een hoog smeltpunt voor zo'n klein molecuul en dat komt omdat de moleculen elkaar zeer effectief vasthouden

Beide antwoorden zijn onjuist. Het smeltpunt heeft niets te maken met de lengte van de ketens. Het smeltpunt heeft alles te maken met het al of niet aanwezig zijn van dubbele bindingen. Als een binding niet verzadigd is met H atomen, wordt er een dubbele binding tussen de C atomen gevormd. Zo'n dubbele binding vertoont een knik, waardoor -even simpel voorgesteld- het molecuul eruit ziet als een geknakt satestokje. Als vet of olie stolt, vormt het cristallen. Dat is een nette geordende structuur, zoals satestokjes die nog in het pakje zitten. Als de stokjes geknakt zijn, kun je veel moeilijker zo'n structuur vormen, ofwel, is het moeilijker om die cristalvorming te doen plaatsvinden. Het vet stolt dus minder snel, naarmate er meer dubbele bindingen in de vetzuurketens zitten.

Bronnen:
Onze eigen biodieselfabriek tot 2006

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100