Wanneer heeft een stof een lading ?

Ik bedoel dus Na+, Pb2+, Zn2+, OH-, NO3-. Die getalletjes met de + of - die achter de stof staat. ( Ik krijg die hoog gezet )
Heeft iedere stof een lading, of waar hangt dit vanaf ?

Ook zou ik graag nog willen weten wat het verschil tussen een metaal en niet-metaal is.

Weet jij het antwoord?

/2500

Allereerst zou ik het geen 'stof' maar, molecuulen willen noemen. Bijvoorbeeld: 02 (zuurstof) is een molecuul maar, bestaat uit twee atomen O en O Elke molecuul heeft een lading, ik heb altijd geleerd. Alleen als ze in water zijn opgelost. Daarnaast moeten de ladingen ook gelijk zijn aan elkaar. Evenveel minnen als plussen. Anders zou de oplossing een lading krijgen als er bijvoorbeeld minder plussen zijn als minnen. Pb2+ + OH- moet worden Pb 2+ + 2OH- aangezien er evenveel plussen als minnen moeten zijn. Over de metalen: Metalen zitten in metaalroosters. Hierbij komen dus ook geen moleculen kijken. In een metaalrooster kunnen de elektronen vrij bewegen door het rooster. Hierdoor kan een metaal stroom geleiden. Een metaal is vaak te buigen zonder dat het hierbij breekt - in tegenstelling tot zouten en moleculaire stoffen - omdat de metaalatomen zo zijn geordend dat deze kunnen verschuiven in de stof. Als je een metalen liniaal buigt verplaatst je daarmee de metaalatomen waardoor het rooster niet meer regelmatig is. Daarom kan een metaal breken als je het te vaak buigt. bron: http://wetenschap.infonu.nl/scheikunde/3553-de-3-soorten-stoffen-chemie.html

Bronnen:
http://wetenschap.infonu.nl/scheikunde/355...

Alle stoffen bestaan uit atomen met een positieve kern en daar "omheen" elektronen die de lading van de kern neutraliseren als zij bij elkaar dezelfde lading hebben als de kern (maar dan negatief). Elektronen om de kern zijn elk in een toestand die wordt bepaald door de kwantummechanica (Schrodinger en Pauli). Dat is een beetje ingewikkeld maar stel het je voor dat ze in een baan om de kern bewegen en dat ze het liefste in de laagste energietoestand zitten. Die banen zijn onder te verdelen in schillen. In een schil past een vast aantal elektronen. Bij een zeker aantal elektronen zit een schil vol en daarna wordt de volgende schil gevuld. http://nl.wikipedia.org/wiki/Elektronenschil Een metaal heeft weinig elektronen in de buitenste schil die relatief zwak gebonden zijn. Dat betekent dat een metaal het elektron gemakkelijk afstaat. Een halogeen of bijvoorbeeld zuurstof heeft een buitenste schil die net niet helemaal gevuld is en daarom graag een extra elektron zou willen. Een metaal zoals Kalium wil graag zijn elektron afstaan aan bijvoorbeeld Fluor en Fluor wil er graag eentje ontvangen. Kalium wordt dan K+ en Fluor wordt dan F-. Samen wordt het KaF en als het oplost komen er losse K+ en F- ionen voor in de oplossing (ionen zijn geladen deeltjes; zij kunnen uit 1 of meer atomen bestaan) Het aantal elektronen dat een stof opneemt of afstaat bepaalt de lading. Dat aantal wordt ook wel valentie genoemd. Het is dus afhankelijk van de opbouw van het atoom of liever van de manier waarop elektronen om de kern georganiseerd zijn. http://nl.wikipedia.org/wiki/Valentie_(scheikunde) De opbouw van het atoom in schillen die een voor een worden opgevuld is mooi te zien aan het periodiek systeem.

Kort gezegd: ionen hebben lading. Het verschil tussen een een metaal-ion en een niet-metaal-ion is, dat een metaal-ion altijd een plus-lading heeft een een niet-metaal-ion een negatieve lading. Een zout bestaat uit ionen. Een zout is een verbinding tussen een metaal en een niet-metaal. Als je een zout oplost in water valt deze uiteen in losse ionen. Welke zouten oplossen in water staat in de Binas tabel 45A. Het metaal krijgt hierbij een positieve lading, hij staat namelijk elektronen af, het niet-metaal krijgt een negatieve lading, hij neemt namelijk elektronen op. Je kan ook op een andere manier bekijken of een stof in ion-vorm een positieve of een negatieve lading krijgt, dit kan met het periodiek systeem. Elke stof wil namelijk lijken op de edelgassen (kolom 18 van het periodiek systeem). Stel we nemen bijvoorbeeld Br. Br heeft 25 elektronen, de dichtstbijzijnde edelgas is Kr, deze heeft 26 elektronen. Br, neemt dus graag een elektron op. Controleren we dit in tabel 45A, dan hebben ze het daar ook inderdaad over Br-.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100