In hoeverre is de kromming van de ruimtetijd relatief?

Dat de ruimtetijd gekromd is wordt door verscheidene experimenten zoals door de Einstein ringen bevestigt.
Die kromming wordt dan vaak eenvoudig voorgesteld als een trapeze met bal erin waarbij de massa de ruimtetijd kromt.
Nu blijkt dan wel dat licht afgebogen wordt door die kromming, maar hoe zit het dan met andere deeltjes? Neem het neutrino, zou voor dit deeltje de ruimte even gekromd zijn als voor een foton?

Want als de ruimtetijd zelf echt gekromd is moet deze daar toch dezelfde invloed van ondervinden, evenals dat het niet uitmaakt of ik in de trapeze een een vierkant gooi of een veer of een bal.

Het probleem lijkt me dat die trapeze kromming weliswaar duidelijk zichtbaar is, maar de ruimtetijd niet. Die is toch alleen indirect af te lezen uit de verschijnselen zoals licht.

Dus hoe weet men hóe krom de ruimtetijd is, die lijkt toch voor elk deeltje anders te zijn? Zou het dus kunnen, in een extreem relatieve interpretatie, dat voor het ene deeltje de ruimte bol gekromd is en voor het andere hol (of zadelvormig) gekromd is?

Weet jij het antwoord?

/2500

Er is niks relatiefs aan ruimtekromming. De trampoline is niet meer dan een model om te demonstreren wat er gebeurt. In de realiteit is alles gedwongen de kromming te volgen.

De kromming van de ruimte is voor het ene soort deeltje niet anders dan voor het andere soort. Als dat zo zou zijn dan zou die hele ruimtekromming een waardeloos begrip zijn. Het mooie aan het hele idee is nu juist dat ieder deeltje doet wat lokaal gezien het meest logisch is: in een rechte lijn voortbewegen. Dit dus los van de vraag of die rechte lijn op grotere schaal misschien een deel van een cirkel is. Wel kunnen verschillende deeltjes (al dan niet van dezelfde soort) de ruimtekromming anders ervaren omdat ze andere snelheden hebben. Maar dat wordt opgelost door het niet te hebben over ruimtekromming, maar over ruimtetijdkromming. Deze vierdimensionale kromming kan beschreven worden onafhankelijk van de bewegingstoestand van de waarnemer. Conclusie is dat de ruimtetijdkromming voor iedere waarnemer en ieder deeltje hetzelfde is, maar dat het van de bewegingstoestand afhangt hoe deze kromming wordt verdeeld over een ruimte- en een tijdcomponent.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100