wanneer weet je of je der of den moet gebruiken? (duits 1e en 4e naamval)

ik heb morgen een pw maar ben letterlijk alles vergeten! kan alsjeblieft iemand me helpen??

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Welnee joh, je weet het best nog. Goed uitgerust morgen beginnen en dan komt de lesstof wel weer boven. 1e naamval is onderwerp. der Sohn ist krank. (wie is ziek? der Sohn = 1e naamval) 4e naamval is lijdend voorwerp. Of als het staat achter woordjes met de 4e naamval: durch für ohne um bis gegen entlang. De Lehrer besucht den Schüler. Wie bezoekt de leerling?der Lehrer. Wat bezoekt hij? den Schüler

Naamval | mnl | vrl | onz | mv 1e | der | die | das | die 2e | des| der | des | der 3e |dem| der | dem| den 4e |den | die | das | die

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100