Spreekt ''het recht van overpad'' art. 461 Sr tegen?

Ik snap het volgende niet:
De ene keer zegt men ‘‘ik heb recht hier te komen, omdat er het recht van overpad is’‘, maar dan staat er in art. 461 Sr dat dit niet zo is?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Feitelijk is het recht van overpad een privaatrechtelijke uitzondering op de regel die geldt in 461 Sr. Die regel is dat je een afgesloten stuk grond wat niet van jou is, niet zonder meer mag betreden; deze uitzondering (er zijn er meer, denk bijv. aan huur) is dat een bepaald persoon die dit 'recht van erfdienstbaarheid' heeft voor dat afgesloten stuk grond, dat wel mag betreden, ondanks dat hij geen eigenaar is. Oftewel: het recht van overpad is een van de situaties waarbij de gebruiker niet tevens de eigenaar van de grond is.

De bepaling in het Wetboek van Strafrecht betreft het ongeoorloofd betreden van andermans grond waarop zichtbaar is aangegeven dat men er niet mag komen. Het recht van overpad is een onderdeel van het privaatrecht, een zogeheten erfdienstbaarheid, een recht dat gevestigd is op een perceel grond. Dit recht van overpad dient dan de omwonenden.

Een eigen weg is in Nederland in principe voor iedereen toegankelijk. Het betreden van andermans grond is namelijk toegestaan, behalve als de grond is afgesloten, er schade ontstaat, of door de eigenaar kenbaar wordt gemaakt dat het betreden verboden is, bijvoorbeeld door een bordje "verboden toegang voor onbevoegden (art. 461 Wetboek van Strafrecht)". Er zijn situaties waarop art 461 niet van toepassing is nl.: dat er op de eigen weg een recht van overpad is. Men heeft dan het recht om (deels) gebruik te maken van de grond, ondanks het bordje Verboden Toegang voor onbevoegden. Een recht van overpad is een zogenoemde 'erfdienstbaarheid'. Erfdienstbaarheid of servituut is een zakelijk recht, en wel een last, waarmede een onroerende zaak - het dienend of lijdend erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersend erf - is bezwaard. Eenvoudiger omschreven: Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een erf, het dienende erf, ten bate van een ander erf, het heersende erf, is belast. De hiervoor genoemde woorden zijn afkomstig uit de wet en geven kort gezegd weer waar het bij de vestiging van een erfdienstbaarheid om draait. Het is de bedoeling dat de eigenaar van het dienende erf iets duldt van de eigenaar van het heersende erf. In het geval van boer A en boer B is boer A eigenaar van het dienende erf en boer B van het heersende erf. Boer A moet dulden dat boer B over zijn terrein loopt. Dit alles is geregeld in het Burgerlijk Wetboek Boek 5 Titel 6 artt 70 t/m 84 Een erfdienstbaarheid kan bv ook zijn: recht van uitzicht, recht om een boom te hebben binnen twee meter van de erfgrens, gootrecht of recht van waterleiding. Zo'n erfdienstbaarheid kan o.a. door verjaring tot stand gekomen zijn. De situatie heeft zo lang bestaan dat er automatisch een recht is ontstaan. Dit is het geval na tien jaar als de verjaring ‘te goeder trouw’ gebeurt. Anders is de termijn twintig jaar. De eigenaren van beide erven kunnen zich op verjaring beroepen. (Een recht van overpad kan pas sinds 1992 door verjaring ontstaan). Een erfdienstbaarheid wordt in Nederland in het kadaster ingeschreven, in België in het Kantoor van de Hypotheekbewaarder. Bij verkoop blijft een erfdienstbaarheid bestaan. Dit wordt aan de nieuwe eigenaar medegedeeld. Heeft men het recht van overpad, dan is men niet onbevoegd het dienende erf te betreden en in Nederland dus niet strafbaar op grond van art 461 Wetboek van Strafrecht.

Bronnen:
http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/Derd...
http://wetten.overheid.nl/BWBR0005288/geld...
http://www.betekenis.be/woord/servituut

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100