In welk lid van het Burgerlijk Wetboek staat het concurrentiebeding?

Op de site van het FNV stond het volgende stukje:

In het Burgerlijk Wetboek staat dat het een afspraak is 'tussen de werkgever en de werknemer, waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn'. Volgens de wet is dit beding alleen geldig is als de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer.
Het beding belemmert de werknemer in zijn vrijheid van arbeidskeuze na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het kan de werknemer verbieden om concurrerende werkzaamheden te gaan verrichten in dienst van een concurrent.
Ook kan een beding voorkomen dat een werknemer een eigen concurrerend bedrijf begint. Of om te proberen klanten af te pakken of mee te nemen. Of om zonder toestemming gebruik te maken van bedrijfsgeheimen, of die te verklappen aan een concurrent. Soms staat een torenhoge boete op overtreding van het beding.

http://www.fnv.nl/infowijzer/contract_en_cao/Concurrentiebeding/

Nu vraag ik mij af; is dit recent? En kan iemand mij vertellen wát er precies in de wet staat over het concurrentiebeding?

Het liefste mét een geldige bron.

Weet jij het antwoord?

/2500

Dat staat in het Burgerlijk Wetboek Boek7, Artikel 653 1. Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. 2. De rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. 3. Aan een beding als bedoeld in lid 1 kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is. 4. Indien een beding als bedoeld in lid 1 de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen. De rechter stelt de hoogte van deze vergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de vergoeding op de door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de werknemer wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.

Bronnen:
http://wetten.overheid.nl/BWBR0005290/Boek...

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100