Verschil tussen het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde?

Als ik het gezegde uit een zin haal weet ik vaak niet of het werkwoordelijk of naamwoordelijk is. Kan iemand mij dit uitgebreid uitleggen met als het kan zo veel mogelijk voorbeelden die niet van andere sites komen, zelf bedacht dus.

Weet jij het antwoord?

/2500

In een zin staan een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoordsvormen. ( dingen die werken, dus waar iets gedaan wordt zoals lopen, roepen, liggen enz) Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit; de persoonsvorm: hij EET brood. Eet is de pers.vorm Hij GAAT brood ETEN: Gaat is de pers. vorm en gaat eten is het werkwoordelijk gezegde. Hij ZAL brood GAAN ETEN.: Zal=pers.vorm, zal gaan eten= werkw. gezegde. Als een werkw. gesplitst is dan hoort dit toch bij het werkw. gezegde bijv; ophouden, doorbreken etc. Het houdt niet op> houdt op is het werkw. gezegde. Ook wederkerende voorn.woorden horen erbij; ik vergis mij, wij vergissen ons etc. Vergissen kan niet zonder wederk. voornaamwoord. Vergis me=werkw.gez. Ook als er 'te' voor staat hoort het erbij; Hij staat daar te lachen. Staat te lachen=werkw. gez. Naamwoordelijk gezegde; Bestaat altijd uit een werkwoordelijk deel en een naamw. deel. In een naamw. gez. staat altijd een koppelwerkwoord; zijn, worden, heten,blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en voorkomen. het werkw. deel bestaat uit; een koppelwerkwoord, een koppelwerkwoord en één of meer werkwoordvormen. het naamwoordelijk deel bestaat uit de rest en wordt door het koppelwerkwoord aan het onderwerp gekoppeld. Het naamwoordel. gez. zegt nl. altijd iets over het onderwerp. Bijv. de taart werd een mislukking. werd een mislukking= het naamwoordelijk gez. werd= werkwoordelijk deel en koppelwerkwoord een mislukking = het naamw. deel en zegt iets over het onderwerp (de taart) nl. dat het een mislukking werd. Let echter wel op, veel koppelwerkwoorden kunnen ook als een gewoon werkwoord in een werkw. gez. voorkomen zoals; De man schijnt eerlijk en de man schijnt met zijn zaklamp. In de eerste zin is schijnt een koppelwerkw. schijnt eerlijk is dan het naamw. gez. In de tweede zin is 'schijnt' gewoon een werkw.dus schijnt= werkw. gez. met een zaklamp zegt niets over het onderwerp (de man). Mijn hond is 4 jaar. Is=werkw. deel, 4 jaar=naamw.deel, is 4 jaar = naamw.gezegde. Mijn hond is in zijn mand. Is=werkw. gezegde want in zijn mand zegt niets over mijn hond. (wat voor hond het is) Ik word door hen gekust. Word gekust= werkw.gezegde want door hen zegt niets over het onderwerp(ik). Ik word boos van al dat geklets. Word boos=naamw. gez. word=werkw. deel boos=naamw.deel

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100