Hoe kan ik beter leren of woorden met d, t of dt geschreven worden?

Ik ben redelijk goed in schriftelijk rapporteren. Alleen met d, t en dt heb ik problemen. Het lukt me niet goed om 't kofschip toe te passen en ik blijf herhaaldelijk fouten maken. Zou iemand mij in "Jip en Janneke-taal" kunnen uitleggen hoe ik dit kan voorkomen?

Weet jij het antwoord?

/2500

Dat kan door jezelf af te leren in "dt" te denken. Toen ik leerde dat er geen woord met "dt" geschreven werd was het voor mij uiterst simpel. Een werkwoord waar jij/hij/zij/het voorstaat of iemand/iets/wie of wat-dan-ook, daar schrijf je een t achter de stam van het werkwoord. Lopen > stam=loop > hij loopT Worden > stam=word > zij wordT Ik blijf dus expres blind voor het feit dat de stam van worden op een d eindigt. (de stam, hij eindigT). Er zijn overigens een aantal uitzonderingen die de meeste moedertaalsprekers zonder problemen zullen begrijpen hij is, kan, zal. mag, en wil. Dit zijn de meest onregelmatige werkwoorden. Voor het 't kofschip zijn de regels ook makkelijk als je eenmaal de stam kan ontdekken. En daarnaast aanvoelt welke werkwoorden sterk en zwak zijn. 't kofschip slaat enkel op zwakke werkwoorden. Geen probleem voor moedertaalsprekers. Als de stam op een van de letters uit het kofschip eindigt en het ww zwak is dan vervoeg je een t in de verleden tijd. Anders een d. Pakken > stam=pak > 't Kopschip> pakte of gepakt Darren > stam=dar > geen letter in het 't kofschip > darde gedard. Voor onregelmatige en sterke werkwoorden bekijk: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_sterke_en_onregelmatige_werkwoorden_in_het_Nederlands --- Een techniek om te kijken of je het goed doet is werkwoordsvervanging. Als je niet weet of het nu "Hij wordt jarig" of "Hij word jarig" is kan je altijd zeggen "Hij lijkt jarig" of "Hij lijk jarig". Je hoort dan dat de eerste klopt en je dus een T moet toevoegen aan de stam. Stam+T

Toegevoegd op 19 februari 2019 11:16: tekst

Dat kan heel simpel door het woord te vervangen door de woorden "maken"of "breken" als je dat een "T"hoort, komt er een t achter, ook als het op een "D" eindigt. Voorbeeld: Je wilt schrijven: De koe wordt twee keer per dag gemolken. Je zegt nu in je eigen "de koe maakt 2 keer per dag gemolken" Je merkt nu dat je een "T" hoort, dus moet je schrijven word+stam = T dus wordt. En dat is dus niet alleen met DT, want dat een persoonsvorm toevallig op een D eindigt, is maakt niet uit. Als je bijvoorbeeld het woord hebben neemt dan is het ( ik heb) ( Jij hebt) dan komt er een t achter dus, maar nooit een DT.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100