hoe werken ow-zin, nw.deel-zin, lv-zin mv-zin, vv-zin en bwb-zin?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

De vraag is wat omduidelijk voor mij maar voor elk van de genoemde geldt: @ de functie is onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, enz. @ in de vorm van een zin. Voorbeeld van een zin met onderwerpzin: "Daar loopt de man die de loterij gewonnen heeft". "De" t/m "heeft" heeft de functie van onderwerp. (Je kunt het vervangen door bijv. "hij") Dat onderwerp heeft de vorm van een zin, die je weer verder kunt ontleden. Een onderwerpzin dus Voorbeeld van een zin met lijdendvoorwerpzin. "Hij geeft mijn broer een pen die hij gekocht heeft bij de Action omdat hij in de aanbieding was." "Een pen" t/m "aanbieding was" is lijdend voorwerp. (Je kunt het vervangen door "een pen"). Het lijdend voorwerp heeft hier de vorm van een zin. Zo'n zin noemen we een lijdendvoorwerpzin. Voorbeeld van een meewerkendvoorwerpzin: "Hij gaf zijn moeder, die in dezelfde straat woonde, een bos rozen voor haar verjaardag". "Zijn moeder" t/m "woonde" is meewerkend voorwerp. Je kunt het vervangen door "zijn moeder". Het meewerkend voorwerp heeft de vorm van een zin. Die noemen we dan ook een meewerkemdvoorwerpzin. Twijfel je, vervang dan de hele bijzin door een enkel woord. Als je weet welk zinsdeel het dan is, dan weet je ook hoe de zin genoemd moet worden. Nog eentje. Jan gaf zijn broer een euro. (Onderwerp-pv-mv-lv) Nu hetzelfde maar met zinnen: Jan, die al 15 geworden was op 19 sepember, gaf zijn broer, die hij een vervelende klier vond omdat deze altijd rotgeintjes uithaalde, een euro die hij zojuist gevonden had op straat. Onderwerpzin: Jan tm september Pv: gaf Meewerkendvoorwerpzin: zijn tm uithaalde Lijdendvoorwerpzin: een tm straat

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100