Wanneer schrijf je houd met een [d] en wanneer met [dt]?

Weet jij het antwoord?

/2500

De onvoltooid tegenwoordige tijd wordt gevormd op basis van de stam van het werkwoord. Dat is de infinitief van het werkwoord zoals we die uitspreken, min de uitgang -en (soms -n). De tweede persoon enkelvoud van de onvoltooid tegenwoordige tijd wordt gevormd door aan de stam een -t toe te voegen. Voorbeelden: U speelt, je krijgt, jij bidt, u wordt. Een hulpmiddel om te weten wanneer dt wordt geschreven aan het einde van een werkwoord waarvan de stam op een d eindigt, is het werkwoord vergelijken met een werkwoord waarvan de stam niet op een d eindigt. Voorbeelden: U kijkt/u rijdt; kijkt u?/rijdt u?; kijk je?/rijd je?; je kijkt/je rijdt. Toegevoegd na 3 uur: Bij houd(t) is dit: U kijkt/ u houdt kijkt u?/ houdt u? kijk je? / houd je? je kijkt/ je houdt

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/230/

Als er ik voor staat, schrijf je het met een "d" Als er een ander voor staat (jij/hij/zij) met dt Toegevoegd na 4 minuten: Om het ingewikkeld te maken: Als je of jij erachter staat (houd jij) is het weer met een d aan het eind.

Houden -en = stam, waardoor je altijd begint met houd als achter lopen een t komt schrijf je ook achter houd een t ik loop -> ik houd jij/hij/zij loopt -> jij/zij/hij houdt

volgens mij: als er 'ik' voor staat is het met een [d] als het 'iemand anders' is is het met een [dt] ofzo, weet ik veel!

Het probleem met houden is, is dat bijna iedereen zegt ik hou terwijl het eigenlijk Ik houD is Houd is namelijk de stam van houden. Dus net als bij alle andere werkwoorden IK Houd Hij/zij HouDT (stam + t) Wij /zij Houden

Ik houd ---> Ik loop Jij houdt ---> Jij loopt Hij houdt ---> Hij loopt Wij houden ---> Wij lopen Jullie houden ---> Jullie lopen Zij houden ---> Zij lopen Achter elke vorm staat de vorm waarmee je zelf kan onthouden of het 'd' of 'dt' is. Aan het werkwoord 'lopen' kan je namelijk horen of er een 't' achter moet, wat niet het geval is bij het werkwoord 'houden'. Toegevoegd na 2 minuten: In vraagzinnen is deze regel ook handig. Als je bijvoorbeeld wilt vragen of de andere persoon van koekjes houdt, denk je eerst het volgende: Loop jij over straat? ---> loop zonder 't' hieruit volgt: houd zonder 't': Houd jij van koekjes? Nu weet je dat vraagzinnen een uitzondering zijn op de regel. Je moet gewoon altijd even het werkwoord veranderen door 'lopen' omdat elke Nederlander dit woord altijd goed vervoegd.

Bij de 2e en 3e persoon enkelvoud komt er altijd een -t achter de stam van het werkwoord. De stam van het werkwoord is zonder de -en erachter. Dus houden / stam is houd Ik houd (ik = 1e persoon enkelvoud) jij houdt (jij = 2e persoon enkelvoud, dus met een -t) hij/zij houdt (hij/zij/het = 3e persoon enkelvoud, dus met een -t) Daarentegen is het in de vragende vorm weer anders, dan verdwijnt de -t achter de stam bij de 2e persoon enkelvoud (dus bij je/jij) houd ik die tak vast? houd jij die tak vast? (nu dus zonder de -t) houdt hij die tak vast? (deze nog wel met -t) Ook bij de gebiedende wijs staat er geen -t achter Houd die tak vast!! een goede truc is om dergelijke werkwoorden, met een -d in de stam te vervangen voor een makkelijk werkwoord zoals lopen of pakken. Ik pak / jij pakT / hij-zij pakT pak ik? / pak jij? / pakt hij? Pak die tak vast!!

D of T? Dé oplossing voor je spellingproblemen Werkwoorden met een D Een D gaat altijd mee. Als er in een werkwoord een D zit blijft hij altijd. Voorbeelden: worden vinden houden De D blijft altijd: ik word, jij wordt, word jij, zij wordt. ik vind, jij vindt, vind jij, zij vindt. ik houd, jij houdt, houd jij, zij houdt. Altijd blijft die D. Soms komt er een T achter. Je kunt het niet horen. Daar is een trucje voor: gebruik het woord LOPEN Kijk maar naar het verschil: jij wordt jij loopt word jij loop jij Als je loop zegt hoor je geen T, dus schrijf je hem ook niet achter de D Branden = D woord: De D blijft altijd. Het huis brandt af. Het huis loopt af. Dus ook een T achter de D.

Bronnen:
http://blog.seniorennet.be/dtgeenprobleem/

Als het een persoonsvorm is van de 2e of 3e persoon enkelvoud is het met [dt]: Hij houdt van ijs. Jij houdt van ijs. Als de 2e persoon enkelvoud achter de persoonsvorm staat is het wel met alleen [d]: Houd jij van ijs?

Op school hadden we hiervoor een rijmje : Ik drink nooit Thee Jij drinkt altijd Thee Hij drinkt T als hij tegenwoordig is.

Als je zegt :Een flinke bos hout voor de deur, is het met een T!

ik leerde het verschil met de volgende ezelsbrug: "ik ervóór, of jij erachter: géén T" En een snelle check kun je doen met het werkwoord lopen, dan hoor je een t duidelijker dan bij houden. Ik loop/ik houd, jij loopT/jij houdT, etcetera!

Mijn ezelsbruggetje is: vervang het werkwoord door "loop". Dus dan wordt het ik loop (zonder T) en jij loopt (met T). Je zit dan meestal goed. Twijfel je nog dan type je het in de PC en laat de spellingscontrole haar werk doen.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100