Wie heeft er een makkelijk trucje om de word met d of dt niet te vergeten.

Wanneer schrijf je word met dt en wanneer alleen met een d?

Weet jij het antwoord?

/2500

Ik word, hij wordt. Als de persoonsvorm niet de ik vorm is, wordt het wordt met dt.

Vervang het werkwoord in gedachten met "werken"... en dan hoor je het en zoals je het hoort, doe dat dan ook zo met het originele werkwoord, waarbij je het niet hoort...

ik neem altijd een woord in gedachten waarmee het makkelijk te bepalen is. Dus word(t) vervang ik door loop(t), dan ik het ineens veel duidelijker of er een t achter moet.

Als aanvulling op wat hierboven staat komt er nog bij; als het gebiedende wijs is dan gebruik je alleen word (alleen de stam). Dus loop naar de maan en word volwassen. Ik word volwassen (ik vorm is ook alleen de stam) en jij, hij en zij wordt (stam + t) volwassen. Voor meer tips; www.abcvandenederlandsetaal.nl

D of T? Dé oplossing voor je spellingproblemen Werkwoorden met een D Een D gaat altijd mee. Als er in een werkwoord een D zit blijft hij altijd. Voorbeelden: worden vinden houden De D blijft altijd: ik word, jij wordt, word jij, zij wordt. ik vind, jij vindt, vind jij, zij vindt. ik houd, jij houdt, houd jij, zij houdt. Altijd blijft die D. Soms komt er een T achter. Je kunt het niet horen. Daar is een trucje voor: gebruik het woord LOPEN Kijk maar naar het verschil: jij wordt jij loopt word jij loop jij Als je loop zegt hoor je geen T, dus schrijf je hem ook niet achter de D Branden = D woord: De D blijft altijd. Het huis brandt af. Het huis loopt af. Dus ook een T achter de D.

Bronnen:
http://blog.seniorennet.be/dtgeenprobleem/

Je kunt beter zeggen: wordt met een t, omdat word de stam is, net zoals werk. Je zegt ook niet, hij werkt met kt. Op die manier maak je ook de fout niet meer met vormen als 'hij bedoeld'. Het is bedoel, met of zonder t.

Geniale vraag met goede antwoorden. Ik gebruik ook altijd "loopt" of "loop" etc. Maar zijn er nog uitzonderingen?

Zet het werkwoord werken er voor in de plaats en je hebt het simpele trucje. Ik werk, hij werkt, werk je, etc. Wat je hoort schrijf je.

Men neme het werkwoord. 'worden' Haal er 'en' van af; je houdt de stam over. Staat er 'ik' voor of achter de stam, óf jij áchter de stam: je schrijft de stam zónder T. Bij andere gevallen: je schrijft de stam + T En wat je hoort, dat schrijf je ook. Kijk maar: ik loop, ik word hij loopt, hij wordt loop jij? word jij? Dit moet je er gewoon instampen en bij elk soortgelijk woord dat je in kranten, op tv, of waar dan ook ziet, ga je voor jezelf na of het goed geschreven is. Zo leer je er op te letten. Zo heeft het voor mij wel gewerkt in elk geval. Succes

In het geval van d en dt is het voor velen lastig omdat je het verschil niet hoort. Je kunt er dan het best even een ander woord van maken, zoals lopen. Ik loop Jij loopT Hij/zij/het loopT Met andere woorden, bij ieder enkelvoud behalve de ikvorm. Het kan midden in een zin met een vreemde vorming lastig zijn. Maar er dan ook een ander woord van en het wordT (het loopT) duidelijk. Ik kan zo gauw geen lastige zin bedenken, maar voor een site voor mensen die jouw probleem ook hebben, zie bron. PS: De bron is dus geen bron maar een extra'tje, dit antwoord is zelf bedacht en gegeven.

Bronnen:
http://www.dtkompas.nl/

Ik zet altijd in plaats van het woord "worden"een ander werkwoord waarbij je de t wel kunt horen. Dus in plaats van "ik word", zet ik het woord "lopen"in de plaats. Bij lopen kun je wel horen of er een t achter moet. Dus ik word (ik loop) moet zonder t. Hij wordt (hij loopt) moet dus wel met een t.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100