Waar komt het woord 'afgrijzen' vandaan?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

afgrijzen (afschuw) M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands afgrijzen zn. ‘afschuw’ Mnl. als werkwoord in mi griset af (onpersoonlijk werkwoord) ‘ik heb een afkeer van’ [1440; MNW]; later bestonden als zn. naast elkaar de woorden afgrijs en afgrijzen, met naast elkaar de betekenissen ‘iets afschuwwekkends, iets afgrijselijks’ en het huidige ‘afschuw, afgrijzen’; bijv. in afgrijs ‘met afschuw, met afgrijzen’ [begin 16e eeuw; WNT Supp. afgrijs], afgrysen ‘iets dat afschuw wekt’ [1509; WNT Supp.], ‘afschuw’ in bijv.: die naem maect my een afgrysen ‘die naam vervult mij met afgrijzen’ [1596; WNT Supp.]. Vanaf de 16e eeuw is de situatie zoals nu, met alleen afgrijzen ‘afschuw’. Het woord is eigenlijk een infinitief, gevormd uit → af en het werkwoord grisen ‘rillen’, waarbij als frequentatief ook griselen ‘huiveren, griezelen’ behoort, zie → griezelen. Mnd. grisen ‘vrezen’; nfri. ôfgriis ‘afschuw’; oe. āgrisan ‘vrezen, sidderen’. Afleiding nzw. gräslig. N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek afgrijzen* afschuw 1440 [MNW] P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek afgrijzen* [afschuw] {afgrisen [een afschuw hebben van], mi griset af 1440} van af + middelnederlands grisen [een afschuw hebben] (vgl. griezelen). J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek afgrijzen znw. o., vgl. mnl. mî grîset af ‘ik heb afgrijzen’, afgrijs en afgrîselic, dus verwant met griezelen. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal afgrijzen nu gew. znw. o., mnl. mî grîset af “ik heb afgrijzen”, afgrijs znw. o., afgrîselijc bnw. Zie griezelen, griezelig. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal afgrijzen o., + Nhd. abgrausen en Ags. ágrísan: van af (z.d.w.) en *grijzen (z. grijzelen). Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB) etymologiebank.nl

Het woord afgrijzen is gevormd uit af en het werkwoord grisen, ‘rillen’, waarbij als frequentatief ook griselen ‘huiveren, griezelen’ behoort.

Bronnen:
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/afgrijzen

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100