Heeft iemand een duidelijke uitleg voor het verschil van het HWW, ZWW en KWW?

Ik kan het niet van elkaar onderscheiden.
Hoe weet ik nou of een werkwoord een hulpwerkwoord (HWW) een zelfstandig werkwoord (ZWW) of een Koppelwerkwoord is?

Ik begrijp wel dat een koppelwerkwoord alleen blijken, lijken, blijven, heten, zijn, worden of schijnen kan zijn (of een vorm ervan.)

Toegevoegd na 2 minuten:
Bijvoorbeeld deze zin;
De voetbalcoach IS dirigent GEWORDEN.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Naamwoordelijk gezegde: stappenplan Koppelwerkwoorden: - zijn - schijnen - worden - heten - blijven - dunken - blijken - voorkomen - lijken Stap 1: Verdeel de zin in zinsdelen. Stap 2: Zoek het zelfstandig werkwoord in de zin. Stap 3: Is het zelfstandig werkwoord een koppelwerkwoord? - Nee? Stop met dit schema. Je hebt te maken met een werkwoordelijk gezegde - Ja? Ga door naar stap 4 Stap 4: Zoek het onderwerp in de zin. Stap 5: Zoek het belangrijkste naamwoord (zelfstandig of bijvoeglijk) in de zin. Stap 6: Vertelt dit naamwoord iets over het onderwerp van de zin? - Nee? Stop met dit schema. Je hebt te maken met een werkwoordelijk gezegde - Ja? Ga door naar stap 7 Stap 7: Het koppelwerkwoord + het zinsdeel met het belangrijkste naamwoord = het naamwoordelijk gezegde. Een hulpwerkwoord is het werkwoord in de zin dat je weg kan laten. Een zelfstandigwerkwoord is een werkwoord dat je niet weg kan laten. Het is meestal het laatste werkwoord van de zin. Voorbeeld: Jan zou later dokter willen worden. zou laat je weg dus: Jan wil dokter worden Dan kan je wil ook weglaten, dus: Jan wordt later dokter. Dokter is het zelfstandig werkwoord. Ik hoop dat je het nu een beetje begrijpt! Hier is nog een voorbeeld: Jan wordt later dokter Stap 1 / Jan / wordt / later/ dokter/ Stap 2 zelfstandig werkwoord = wordt Stap 3 wordt = een koppelwerkwoord (hele werkwoord is ‘worden’) Stap 4 Onderwerp: Jan Stap 5 Belangrijkste naamwoord: dokter Stap 6 Dokter vertelt iets over Jan : Dokter Jan Stap 7 naamwoordelijk gezegde = wordt dokter Toegevoegd na 5 minuten: Op jou voorbeeldzin: De voetbalcoach is dirigent geworden. Stap 1: /De voetbalcoach/is/dirigent/geworden./ Stap 2: zelfstandig werkwoord = geworden (de voetbalcoach wordt dirigent) Stap 3: Worden = Koppelwerkwoord Stap 4: Onderwerp = De voetbalcoach Stap 5: Belangrijkste naamwoord = dirigent Stap 6: dirigent vertelt iets over de voetbal coach. Dirigent voetbalcoach. ( het klinkt misschien een beetje raar, maar stel dat de voetbalcoach Kees had geheten, werd het dirigent Kees en dat klopt wel.) Stap 7: naamwoordelijk gezegde = wordt dirigent

Koppelwerkwoord toont aan dat het onderwerp gelijk is (of gelijk kan zijn/wordt) aan het naamwoordelijk deel van het gezegde. A koppelwerkwoord B de man lijkt vervelend Een zelfstandig werkwoord is een werkwoord dat echt een actie aangeeft. Dit werkwoord kan ook los in een zin voorkomen, in tegenstelling tot een hulpwerkwoord. Ik eet graag pannenkoeken De actie is eten Een hulpwerkwoord komt ALLEEN voor samen met een ander werkwoord. Herken je een voltooid deelwoord? Dan is het 'kleine' werkwoord ervoor (vaak een vorm van zijn of hebben) het hulpwerkwoord. Er kunnen meerdere hulpwerkwoorden in een zin voorkomen Hij heeft mij willen slaan Heeft: hulpwerkwoord willen: hww slaan: geeft de actie in deze zin aan, zww dus Toegevoegd na 1 minuut: Jouw voorbeeld: De voetbalcoach IS dirigent GEWORDEN. is: hulpwerkwoord geworden: zelfstandig werkwoord (geeft de actie in deze zin aan) MAAR: De voetbalcoach is dirigent is = koppelwerkwoord, want de voetbalcoach = de dirigent

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100