Wanneer gebruik je zij, ze, hen of hun?

Ik heb de indruk dat de derde persoon meervoud voornaamwoorden zij, ze, hen en hun door elkaar gebruikt worden. Ik lees of hoor vaak: 'zij hebben hen gezien', 'zij hebben ze gezien' , 'hun hebben ze gezien', 'ik geef hun een boek', 'ik geef hen een boek', 'ik geef ze een boek'. Bestaat er een eenvoudige regel voor het gebruik van zij, ze, hen of hun?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Die indruk klopt. Ook het verschil tussen persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden lijkt bij veel mensen niet meer bekend te zijn. Er wordt steeds meer hun gebruikt i.p.v. zij, en me i.p.v. mijn. De klassieke schoolregel, die teruggaat op een zeventiende-eeuws voorstel, maakt voor het gebruik van hen en hun een kunstmatig onderscheid naargelang van de grammaticale functie. Die regel schrijft het volgende voor: A. Gebruik hen in de functie van lijdend voorwerp of oorzakelijk voorwerp, respectievelijk bijvoorbeeld: - (1) (Waar Gerard en Jan zijn?) Ik heb hen daarnet in de tuin zien lopen. - (2) (Wat zijn die leerlingen toch vervelend!) We zijn hen liever kwijt dan rijk. B. Gebruik hun in de functie van meewerkend of belanghebbend voorwerp (zonder voorzetsel) of ondervindend voorwerp, respectievelijk bijvoorbeeld: - (3a) We hebben het hun verteld. - (4a) Zal ik hun een goed glas wijn inschenken? - (5) Het verbaasde hun niets. C. Gebruik altijd hen na een voorzetsel, ongeacht de functie van het zinsdeel, bijvoorbeeld: - (3b) We hebben het aan hen verteld. - (4b) Zal ik voor hen een goed glas wijn inschenken? - (6) We gingen naast hen zitten. In de praktijk worden beide vormen echter heel vaak zonder onderscheid door elkaar gebruikt. Ook in de geschreven taal, waar deze regel in de eerste plaats voor bedoeld is, wordt het onderscheid zelden consequent toegepast. Dat komt vermoedelijk mede doordat er in heel wat gevallen onduidelijkheid bestaat over de functie van het zinsdeel in kwestie. Er is een toenemende tendens bespeurbaar om hen ook te gebruiken in gevallen waar strikt genomen hun gebruikt zou moeten worden. Aangezien hen bovendien doorgaans stilistisch hoger gewaardeerd wordt dan hun, kan men in geval van twijfel over de precieze vorm het best hen gebruiken.

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/12

Zij en ze is een persoonlijk voornaamwoord.. Zij/ze lopen. Hen wordt alleen gebruikt als lijdend of meewerkend voornaamwoord ik zie hen lopen. En hun is een bezitterlijk voornaamwoord. Het is hun loopje. Maar het loopje is van hen

Gebruik van hun: Hun wordt alleen gebruikt als meewerkend voorwerp (Ik geef hun een boek). Hun kan nooit het onderwerp van een zin zijn. Gebruik van hen'. Schrijf hen als het een lijdend voorwerp betreft (Ik breng hen weg) of na een voorzetsel (Ik geef een boek aan hen). Hun wordt alleen gebruikt als meewerkend voorwerp (Ik geef hun een boek).

1] Zij (of ze) is de onderwerpsvorm derde persoon meervoud. Hun en hen zijn voorwerpsvorm. .........hun hebben ze gezien is dus altijd fout, want hun/hen kunnen niet - nooit - onderwerpsvorm zijn. http://www.jufmelis.nl/woordsoorten/Persoonlijk-voornaamwoord/uitleg 2] * Voor hun en hen kun je "aan" zetten. Ik geef (aan) hen een boek. "ze" is wat moeilijker. De kinderen zullen stil zijn want ik geef ze een boek. Toegevoegd na 1 minuut: http://www.goeievraag.nl/vraag/hen.24876 Toegevoegd na 9 uur: Voor diegenen die de laatste zin fout vinden en voor diegene die een min gegeven heeft: ze is ook niet-onderwerpsvorm. "hen/hun" versus "ze" is te vergelijken met "mij" versus "me". Bekijk de linken eens die ik er bij heb gegeven!!!!

Bronnen:
http://www.onzetaal.nl/taaladvies/advies/p...

‘Ze’ wordt gebruikt als persoonlijk voornaamwoord. 'Ze' kan ook woorden vervangen. Bij een zin met een sterretje ervoor kan het woord vervangen worden door 'ze' "Ze is naar huis" (persoonlijk voornaamwoord) Zij kan alleen worden gebruikt als persoonlijk voornaamwoord en duidt klemtoon aan. "Ik heb het niet gedaan, ZIJ heeft het gedaan!" Hen wordt gebruikt na een voorzetsel, als lijdend voorwerp en als oorzakelijk voorwerp: "Het werk is gedaan volgens hen." (na voorzetsel) *"Ik zie hen." (lijdend voorwerp) *"Ik ben hen zat!" (oorzakelijk voorwerp) ‘Hun’ wordt gebruikt als bezittelijk voornaamwoord, als meewerkend voorwerp (tenzij voorafgegaan door een voorzetsel, dan is het 'hen'), als belanghebbend voorwerp (tenzij voorafgegaan door een voorzetsel, dan is het 'hen') , als ondervindend voorwerp en als bezittelijk voorwerp. "Het is hun glas" (bezittelijk voornaamwoord) *"Ik geef hun het glas." (meewerkend voorwerp) *"Ik schenk hun een drankje in." (belanghebbend voorwerp) *"Het glas is hun te leeg." (ondervindend voorwerp) *"Hij sloeg hun het glas uit de hand." (bezittelijk voorwerp) Klinkt ingewikkeld. Gelukkig wordt het onderscheid in de praktijk steeds minder gemaakt.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hen_of_hun

Hen; Gebruik je als dit woord de functie heeft van lijdend voorwerp. Ik zie hen lopen ( wie zie je lopen=hen, want 'ik' is het onderwerp) Ik heb hen gezien ( wie heb ik gezien=hen) Je gebruikt ook 'hen' na een voorzetsel; Ik geef het boek aan hen, Ik zing het lied voor hen. Ik ging naast hen zitten. Hun; Hun gebruik je als het woord de functie heeft van meewerkend voorwerp waar géén voorzetsel voor staat. Ik heb hun het boek gegeven. Ik deel het hun mee. Tip; je hebt met een meewerkend voornaamwoord te maken als je 'hun' kunt vervangen door 'aan hen'. Hun gebruik je ook als bezittelijk voornaamwoord. Hun paard sloeg op hol. Hun huis is groot. Tip; Als in de zin de klemtoon ligt op hen of hun én het betreft personen, dan kun je hen/hun vervangen door 'ze'. Je hebt hen te pakken= Je hebt ze te pakken. Ik heb hun een tik gegeven= ik heb ze een tik gegeven. Met hen en hun kan je niet naar zaken verwijzen. Je kunt niet zeggen; Mijn schoenen, waar heb je hun/hen gezien? Zodra je naar zaken verwijst, gebruik je het woord 'die'-als daar de klemtoon op ligt- of ze. Mijn schoenen,waar heb je die/ze gezien? verder zijn ze of zij persoonlijke voornaamwoorden; Ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij/ze meervoud. De twee broers, ze/zij zijn een tweeling. Ze/zij rennen hard weg. Hier kunnen ze beiden gebruikt worden.

Even in het heel kort: Ik geef HEN wat snoep. ZIJ gaan straks naar huis. Het is HUN hond. (ze is hetzelfde als zij)

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100