Wat is "Aan de verschillende seizoenen" In de zin: De Nederlanders zijn gewend "Aan verschillende seizoenen" ?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

"Aan de verschillende seizoenen" is het naamwoordelijk gezegde. Zijn is in deze zin een koppelwerkwoord en kan dus nooit alleen het gezegde vormen. Met de vraag "Wie of wat + gezegde?" vind je het onderwerp van een zin. Dus: "zijn gewend aan verschillende seizoenen" is het naamwoordelijk gezegde "De Nederlanders" is het onderwerp

Bronnen:
http://www.cambiumned.nl/grammaticaoefening.htm
http://www.onzetaal.nl/advies/gezegde.php

ik zou zeggen een bijwoordelijke bepaling. Maar weet het eigenlijk niet zeker. Toegevoegd na 2 minuten: het moet wel een bijwoordelijke bepaling zijn volgens deze bron. In de zin "Jan heeft aan Piet een boek gegeven" is "aan Piet" strikt genomen een bijwoordelijke bepaling en geen meewerkend voorwerp.

We zijn gewend aan de lente/zomer/herfst/winter-verschillen, aan soms op één dag stralende zon, regen en mist, harde wind en koude nachten van -20 en van zwoele nachten van 28 graden in huizen, die daar niet voor gebouwd zijn - aan lange nachten en lange dagen, kortom : het weer is niet voor niets gespreksonderwerp nummer één in Nederland.. In andere delen van de wereld wordt het altijd op dezelfde tijd donker, en kan je altijd een barbeque plannen, omdat het gewoon altijd mooi weer is. Of de seizoenen (regentijd en droge tijd) wisselen elkaar heel regelmatig af. Toegevoegd na 2 minuten: ik denk, dat ik de vraag verkeerd begrepen heb, sorry, hoor......

Het is niet het naamwoordelijk gezegde. Dat is namelijk 'gewend' al. 'aan de verschillende seizoenen' is het voorzetselvoorwerp. Het naamwoordelijk gezegde is bijvoorbeeld 'lang' in de zin: 'Ik ben lang'. Zo is 'gewend' het naamwoordelijk gezegde in de zin 'De Nederlanders zijn gewend'. Je ziet nu al dat het geen goede zin is: 'gewend' gaat altijd samen met het voorzetsel 'aan'. Als een werkwoord altijd met een voorzetsel erbij moet worden geschreven voor een grammaticaal goede zin, is het 'voorwerp' dat door het voorzetsel aan het werkwoord wordt verbonden, het voorzetselvoorwerp. Het voorzetsel wordt bijgesloten in het voorzetselvoorwerp. Voor de duidelijkheid zal ik even een voorbeeld geven. Ik geef een antwoord op jouw vraag: 'op jouw vraag' is dan het voorzetselvoorwerp. 'op' is het voorzetsel wat het voorwerp (namelijk 'jouw vraag') verbindt met het werkwoord 'antwoord geven'. Pas op dat je het niet verwart met een bijwoordelijke bepaling. Dat begint namelijk ook vaak met een voorzetsel. Een handig trucje om ze uit elkaar te houden is het volgende: Bekijk of het voorzetsel letterlijk of figuurlijk is. 'We moeten bij wiskunde altijd rekenen op een blaadje met ruitjes.' 'op ' is hier letterlijk bedoeld: 'op een blaadje met ruitjes' is dus de bijwoordelijke bepaling. We rekenen op je komst: Hier is 'op' niet letterlijk bedoeld. Daarom is 'op je komst' het voorzetselvoorwerp.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Voorzetselvoorwerp
http://www.cambiumned.nl/voorzetselvoorwerp.htm

Het is een 'voorzetsel voorwerp'. (vzv). In het paardenkoper systeem ook wel aangeduid als: |_________| Het volledige werkwoord is: Gewend zijn. Je bent altijd gewend 'aan' iets. Daarom is 'aan' het vaste voorzetsel van het werkwoord 'gewend zijn'. Dit brengt ons tot de conclusie dat 'aan ...' een voorzetsel voorwerp is. En dat is 'aan de verschillende seizoenen' dan ook. Is het zo duidelijk?

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100