Waar moet ik beginnen bij het bewijzen van stellingen? (wiskunde)

Ik heb komende week een toets over hoofdstuk 8 vermoedens en bewijzen van de methode getal en ruimte. Hierbij worden stellingen gegeven en moet ik deze bewijzen. Het probleem is bij mij dat ik niet zie waar ik moet beginnen, maar als ik in het antwoorden boek kijk snap ik het wel. Is er een soort van stappenplan hoe ik er achter kan komen waar ik moet beginnen? Of waar ik naar moet kijken waar ik moet beginnen?

Andere tips dan stappenplannen zijn ook welkom!

Weet jij het antwoord?

/2500

Ik heb het op de volgende manier geleerd: Eerst schrijf je op wat gegeven is, bijvoorbeeld: Gegeven is gelijkbenige driehoek ABC waarbij hoek B = hoek C, met punt D op het midden van BC. Vervolgens schrijf je op wat je wilt bewijzen, bijvoorbeeld: Te bewijzen: Lijnstuk AD is de deellijn van hoek A. Daarna schijf je alle stappen op die uiteindelijk bewijzen dat de stelling klopt. Je begint vaak met een gegeven. Bijvoorbeeld: lijnstuk AB = lijnstuk AC (gegeven door gelijkbenige driehoek) lijnstuk BD = lijnstuk CD (gegeven) lijnstuk AD = lijnstuk AD (logica) => driehoek ABD is congruent aan driehoek ACD (ZZZ) (hier begin je met gegevens omzetten in nieuwe logische gevolgen) => hoek BAD = hoek CAD => lijnstuk AD is de deellijn van hoek A (Je eindigt met je stelling) Ik hoop dat je de congruentiegevallen een beetje kent, zo niet, ZZZ houdt in dat alle zijden van een driehoek even lang zijn, dus hebben de driehoeken ook gelijke hoeken, dus zijn ze identiek aan elkaar.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100