Hoe zit dat met die kansberekening?

Stel 1 op de 100 mensen heeft iets. De kans dat je uit honderd man iemand pakt met 'dat' is dus 1/100. Mij is dus altijd geleerd dat als je honderd man pakt dat 100 keer een kans van 1/100 is dat je iemand pakt met dat 'iets'. Dat is dus een kans van exact 1, oftewel je pakt altijd iemand met die kwaal.
Nu klopt dat niet lijkt me, want het is heel goed mogelijk om uit een hele grote groep waarvan 1 op de honderd mensen maar iets heeft, 100 te pakken die dat niet hebben.
Waar ga ik fout?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Jij gaat uit van de zekerheid dat je 1 persoon met die kwaal vindt als je 100 mensen neemt. Het is echter volgens jouw voorbeeld een statistische kans van 1/100. Dus over het het grote geheel is het 1%. Als je echter 100 mensen neemt, kan het zijn dat 1 persoon de kwaal heeft, of 0, of 3, of 5 etc. Dat is niet exact te zeggen, maar... over het grote geheel heeft 1 op de 100 die kwaal (=1%). Je neemt dus een deel van het totaal en dan moet je rekening houden met afwijkingen van het statistisch getal van 1 op 100. Zou je echter ALLES nemen dan zul je de 1% bereiken (of in ieder geval heel dicht benaderen), ofwel simpel gezegd gemiddeld 1 op de 100.

Dat is uiteraard het gemiddelde. Als één op de honderd mensen rood haar zou hebben en er wonen 100 mensen in jouw straat, zou het best kunnen dat niemand rood haar heeft. Maar als er in jouw stad 10.000 mensen wonen, is de kans groter dat daar 100 mensen tussenzitten met rood haar. En bij 1000.000 mensen zal het nog beter kloppen. Toegevoegd na 11 minuten: ...Ik heb overigens niets tegen roodharigen, hoor... :)

De kansberekening is doorgaans 0,0000014% m.b.t. de jackpot/hoofdprijs. En dit zou inderdaad steeds meer kunnen oplopen naar 0,001%, of zelfs 0,5%... En verder vind ik je vraagstelling wat onduidelijk...

Bij een kans van een op honderd mensen is er sprake van een gemiddelde. Aangezien dat er veel meer dan honderd mensen zijn, is het heel goed mogelijk dat je misschien wel 800 mensen moet hebben wil die ene er tussen zitten. Maar ook kan er bij die honderd mensen er wel 3 bij zitten en de volgende 200 niemand. gemiddeld zit je dan weer op een op honderd.

Aan je vraag te zien denk je te ingewikkeld! Je moet het gewoon zien als: 1 op de 100, is 1% van het totaal, dus de kant is 1%. Klinkt wellicht eenvoudiger.

bij een kans van 1 op 100 is het statistisch zo dat als je 100 delen hebt er 1 deel is wat de afwijking heeft.als je 100000 delen hebt is de kans er dus dat 1000 delen afwijken dat is een statistisch gegeven en niet een vast numeriek gegeven,het kan dus inderdaad zo zijn dat op 100000 delen geen enkel deel een afwijkingg heeft,maar het kan ook zijn dat op de volgende serie van 100000 delen er 2000 een afwijking hebben ,dan nog heb je een kans van 1:100 nl 100000+100000=200000 delen totaal waarvan 2000 delen met een afwijking, dus 200000/2000=100

Ze hebben ooit eens een steekproef gehad waarbij van de bijvoorbeeld 10.000 personen er 100 deze aandoening had, en kwamen tot de conclusie dat de kans op deze aandoening 1/100 is. Als het een beetje een goed onderzoek was, is het te generaliseren naar de populatie, en kun je dus zeggen dat de kans (in nederland, in jouw dorp of in de wereld) ook 1 op 100 is. Wanneer jij echter een nieuwe steekproef gaat trekken, is daar, net zoals bij dat eerdere onderzoek altijd een kans, dat je een net iets afwijkende steekproef trekt dan dat je zou doen wanneer je de hele populatie (echt iedereen) zou testen. Hoe groter de steekproef, en hoe meer willekeurig je de mensen kiest, hoe betrouwbaarder het nummertje is wat eruit komt. Wanneer je dus 100 personen test, is de kans dat je er precies 1 vindt met de aandoening niet zo groot, maar de kans dat het percentage overeenkomt wordt (als het eerdere onderzoek klopt) veel groter wanneer je 2000 mensen test. En wanneer je in een bejaardenhuis test, is het aantal zieke mensen vast wel groter dan wanneer je op de kleuterschool test. Een grotere en meer willekeurige steekproef zal er dus voor zorgen dat je zo dicht mogelijk bij de "werkelijke" kans op de ziekte uitkomt.

Jouw vraag is duidelijk, maar het antwoord hangt af waaraan je denkt. Het is alleen waar in eenvoudige gevallen (een emmer met 30 rode en 70 witte ballen bijv.). Maar Jan en alleman gebruikt dit eenvoudige model in volledige andere omstandigheden. Je geeft zelf al aan, waar het wellicht ook mis kan gaan: bij zelzame verschijnselen. Niets is zo tricky als kanrekening. Niet voor niets geldt: kleine leugens, grote leugens en Statistiek

Toen vorig jaar paniek uit brak omdat er 1 of enkele mensen overleden tijdens de vierdaagse ,was er iemand die er een simpele kans berekening er op los liet.Een mens leeft gemiddeld een dag of 30.000.Dat houdt in dat er in een willekeurige groep van 30.000 mensen dagelijks eentje sterft .In de vierdaagse deden er zon 38000 aan mee.Dus was de kans reeel dat er tijdens zoiets er wel eentje moest dood gaan.dat het in 2009 niet gebeurde is gewoon geluk

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100