Wat bedoelde Einstein met zijn uitspraak "God dobbelt niet"?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Deze uitspraak sloeg op de onzekerheden die logischer wijs volgden uit de quantumfysica. Quantumfysica heeft als een van de basisbeginselen dat je nooit de exacte toestand van een deeltje kunt bepalen (locatie en snelheid), maar dat zekerheid in de één onzekerheid in de andere eigenschap betekent. Dat atomen niet een pad volgen, maar een som van mogelijke paden. Dit druist in tegen alles wat de klassieke natuurkunde voorschrijft. In de klassieke natuurkunde is het hypothetisch gesproken mogelijk om, wanneer je de totale toestand van het universum op een bepaald moment zou kennen, oneindig terug en vooruit te voorspellen hoe het universum er uit ziet. Toen Einstein dit onzekerheidsbeginsel voor het eerst te horen kreeg, was dit zijn opmerking - hij kon niet accepteren dat er onzekerheid zou zijn in de fundamentele wetten van het universum. Toen meer en meer gegevens binnen kwamen, en de quantumfysica meer en meer resultaten ging boeken, bleek dat Einstein het in dit geval mis had. Hij heeft vervolgens de rest van zijn carrière besteed aan het zoeken naar een manier om zijn zwaartekrachttheorie te verenigen met de quantumfysica.

Dat niets uit toeval bestaat, en alles gedirigeerd is door onze grote concertmeester boven.

De uitleg die ik wel is heb gehoord: de kans dat het universum bij toeval is onstaan is net zo groot als 100 rode ballen en 100 blauwe ballen door elkaar husselen en daarna in 2 emmers op kleur gescheiden leeg kunnen gooien. ik geloof dat het een quote is dus ik zal even zoeken. Toegevoegd na 2 minuten: gevonden... "Als dit universum in zijn miljoenvoudige orde en precisie het resultaat van een blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer een drukkerij explodeert en alle druklettertjes weer op de grond terecht komen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek."

Bronnen:
http://www.citaten.net/search.asp?auteur=A...

Dat had te maken met het feit dat Einstein ondanks zijn eigen grondleggen van de kwantummechanica niets van het daaruit voortvloeiende onzerkheidsprincipe wilde weten. Dat zou de grondslagen van de natuurkunde aantasten. "Ondanks het feit dat hij zelf de grondlegger was geworden van de kwantummechanica, heeft Einstein zich nooit veel aan de nieuwe vorm van natuurkunde gelegen laten liggen. De kwantumtheorieën stelden namelijk dat alle waarnemingen binnen een bepaalde ‘onzekerheid’ werden gedaan. Het is niet mogelijk om tegelijkertijd de plaats en de snelheid van een deeltje vast te stellen. Deze situatie is te vergelijken met die van een roulette, waarin een balletje draait. Fotografeert men het ronddraaiende balletje met een korte sluitertijd, dan is de plaats van het balletje scherp afgebeeld maar zijn snelheid is onbekend. Fotografeert men daarentegen met een lange sluitertijd, dan is het balletje door de bewegingsonscherpte als een streep afgebeeld. Hieruit kan de snelheid van het balletje worden afgeleid, maar zijn plaats gedurende de opname is onzeker: ergens tussen het begin en het eind van het spoor. Einstein wilde van het onzekerheidsprincipe niets weten, omdat het in zijn ogen de grondslagen van de natuurkunde zelf aantastte. Werd hij aan de proef met de roulette herinnerd, dan was zijn antwoord: “God dobbelt niet!” Maar in 1933 moest Einstein zich tegenover de atoomgeleerde Niels Bohr gewonnen geven. Na een uitleg over de kwantumeffecten in de atoomtheorie richtte Bohr zich tot Einstein in de zaal, en zei: “Nu zie je dat God niet altijd doet wat jij vindt dat hij zou moéten doen!”

Bronnen:
http://www.kennislink.nl/publicaties/de-ma...

Einstein was gelovig (geloofde in God). Hij geloofde echter niet in Quatummechanica. Quatummechina geeft alles weer in "waarschijnlijkheden". Dit was voor Einstein onaanvaardbaar (dingen moesten zeker kunnen zijn). Vandaar zijn uitspraak.

Meneer Eensteen zegt dan "God gokt niet" dus dat alles van God met zekerheid gedaan is

Deze uitspraak heeft Einstein zelf NOOIT gedaan, het is hem toegedicht en is daarna als "quote" een eigen leven gaan leiden. Toegevoegd na 24 minuten: Deze toegedichte quote is ontstaan bij een uitleg van Einstein dat men God niet tot een persoon moet reduceren die scheidsrechtert tussen krachten in het heelal. Als de Schepper van alles zouden we God daar zeer mee tekort doen. Dit is in het collectief bewustzijn blijven hangen als de stelling"God dobbelt niet" en is dus een conclusie uit de uitleg van Einstein die hij zelf niet uitgeproken heeft maar wel als zodanig op papier beland is. Hij was dus zelf niet de auteur van deze stelling. (zijn werkelijke uitleg was overigens langer en ingewikkelder)

De quantumtheorie is vreemd, druist vaak in tegen onze intuïtie en is daarom moeilijk te accepteren. Als een appel op tafel is blijven liggen, kunnen we ervan uitgaan dat ie er de volgende dag nog ligt. Zo niet, dan heeft iemand hem meegenomen of opgegeten. In de wereld van het quantum, de subatomaire wereld, is dat niet zo zeker; er is hooguit een bepaalde kans om de appel op tafel aan te treffen. En ligt-ie er niet, dan is het onmogelijk een oorzaak of schuldige aan te wijzen. Albert Einstein geloofde daar niets van. 'God dobbelt niet', zei hij: de kansrekening van de quantumtheorie kon volgens Einstein niet het hele verhaal zijn. Er moest een -nog onbekende- theorie aan ten grondslag liggen die het klassieke wereldbeeld herstelde. Einstein had vooral moeite met het quantumbegrip van gekoppelde systemen. Dat komt erop neer dat de totale toestand van een systeem perfect gedefinieerd kan zijn, terwijl over de afzonderlijke onderdelen niets bekend is. Dat leidt tot vreemde effecten. Als van die appel van zoëven bijvoorbeeld bekend is dat hij tien pitjes bevat en hij wordt in tweeën gehakt, dan is het nog onbekend hoeveel pitjes elke helft bevat. Dat wordt pas duidelijk als iemand gaat tellen. Maar in de quantumwereld ligt de verdeling vóór het tellen nog helemaal open. Het kan drie-zeven zijn, of zes-vier. Het tellen zelf legt de verdeling pas vast. Maar dat betekent ook dat het tellen in de ene appelhelft automatisch bepaalt hoeveel pitjes er in de andere zitten. Einstein vond dat dus onzin. Het kon niet zo zijn dat het aantal pitjes in de ene helft werd bepaald door het tellen in de andere. Volgens hem lag de verdeling van de pitjes van tevoren al vast. Het was slechts aan de onvolkomenheid van de quantumtheorie te wijten dat die verdeling vóór de telling ongewis was.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100