Als de evolutieleer klopt en "survival of the fittest", waar komen eigenschappen als medeleven en genieten van ongezond eten vandaan?

Als het alleen maar ging om overleving van de geschikste zouden we toch nooit meer onszelf opofferen voor anderen (sommigen geven hun leven voor anderen) en alleen maar supergezond eten willen eten ipv een zakje friet?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Uit onderzoek blijkt, dat de opofferingsgezindheid sterk afhangt van de verwantschap met degene voor wie je je opoffert. Ouders zijn heel erg geneigd zich op te offeren voor hun eigen kinderen. Mensen zijn al veel minder geneigd zich op te offeren voor de buurman. Dit is logisch uit evolutionair oogpunt: je kinderen hebben voor een groot gedeelte dezelfde genen als jij. Jezelf opofferen is dan niet zo erg, want je genen leven toch wel voort - en dat is waar het in de evolutie om draait. De buurman heeft al andere genen, dus voor hem zul je je minder snel opofferen. Iemand van een ander "ras" heeft genen die nog weer minder op jouw genen lijken dan die van je buurman. Het blijkt dan ook, dat je je nog liever opoffert voor je buurman dan voor iemand van een ander "ras" - hoe maatschappelijk ongewenst deze uitkomst ook is, dit komt keer op keer uit onderzoeken. -- Het zakje friet is ook evolutionair te verklaren. Wij zijn ontstaan in de oertijd. In die tijd was vet en suiker- of koolhydraatrijk voedsel schaars. We zetten alles op alles om aan dat soort voedsel te komen. Om ervoor te zorgen dat we veel moeite zouden doen om aan dat schaarse, maar (destijds) heel nuttige voedsel te komen, hebben onze genen zich zo ontwikkeld dat wij een sterk beloningsgevoel ervaren wanneer we zoet en vet eten. Dat beloningsgevoel bestaat nog steeds - vandaar dat we zo graag die zak patat eten, met een glas mierzoete frisdrank erbij.

Opofferen is een sociaal iets. Wanneer we onszelf opofferen voor anderen dan bouwen we credit op zodat we in een andere situatie weer een beroep op de ander kunnen doen. Onze voorkeur voor ongezond eten (zoals bijvoorbeeld suiker) is ook evolutionair bepaald. Toen was er weinig (energierijk) voedsel en mensen met een voorkeur voor energierijk voedsel hadden dus een hogere kans om te overleven.

Met name bij dieren die in groepen leveren, kan opofferingsgezindheid van een individu grote voordelen opleveren voor de groep als geheel. En een groep bij elkaar horende dieren heeft doorgaans een grotere genetische overlap dan het gemiddelde van alle dieren. Eigenlijk is medeleven (en medestrijden) een uitgebreide vorm van ouderliefde, want ook dáár levert deze bijzondere inzet van het individu voor zijn naasten een extra kans op behoud en doorgifte van de gemeenschappelijke genen. Echter, wie daarom het mededogen en de opofferingsgezindheid van het individu afdoet als een gesublimeerde vorm van egoïsme, ontgaat toch de essentie van deze gedragsvorm. Namelijk het ego is in dit geval bereid tot zelf-vernietiging en dan kun je toch moeilijk volhouden dat dat egoïsme is.

Er wordt vaak uit het oog verloren dat de menselijke soort alleen succesvol is en kan zijn door een hoge mate van samenwerking; een mens alleen en zonder producten van de samenleving kan in de natuur maar moeilijk het hoofd boven water houden. Daar we elkaar dus zo nodig hebben is het ook logisch dat altruïsme bestaat: iedere mens die je helpt kan later een partner in de samenwerking worden. Ongezond eten bestaat vooral bij de gratie van onze overvloed; omdat wij veel te veel voedsel kunnen eten wordt het al gauw ongezond.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100