Hoe verder weg een sterrenstelsel van ons staat, hoe sneller het zich van ons verwijdert. Hoe zit dat?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Het heelal dijt uit. Dat wil zeggen dat het heelal groter wordt. Vaak stelt men zich dat voor alsof er een explosie was (de Big Bang). Die explosie slingerde de materie alle kanten op. Alles werd dus weggeslingerd vanaf een centraal punt. Dat beeld klopt niet. Bij de Big Bang ontstond de ruimte. Die ruimte zwol vervolgens op (dat is de uitdijing), en dat opzwellen gaat nog steeds door. Het is dus niet zo dat alles zich door de ruimte heen beweegt; de ruimte zelf wordt groter. Daardoor komen ook sterrenstelsels die in principe stilstaan, toch verder van ons af te liggen. Vergelijk het met een ballon. Neem een kleine ballon, en zet daar met viltstift een aantal stippen op. Bewegen die stippen zich over de ballon? Nee, ze staan stil. Blaas nu de ballon langzaam op. Bewegen de stippen zich nu over de ballon? Nee, elke stip blijft op zijn plek. Elke stip staat stil. Toch zal een "stip-bewoner" zeggen dat alle andere stippen zich van hem af bewegen. Hij zal ook zeggen dat verder verwijderde stippen zich sneller van hem af bewegen dan stippen die dichterbij zijn. Dus terwijl geen enkele stip zich over de ballon beweegt, neemt toch de afstand tussen de stippen toe. Precies op die manier gebeurt het ook met sterrenstelsels. Ook al zouden ze allemaal stilstaan, dan nog wordt de afstand groter. (In het echt komt daar nog bij dat de sterrenstelsels zich ook nog eens bewegen ten opzichte van elkaar, maar dat is voor deze vraag niet van belang.)

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Metrische_uit...
http://nl.wikipedia.org/wiki/Oerknal

Stel je een rimpel in een plas water voor als je een steen in het midden gooit. (Big Bang.) Stel je nu voor dat jij in een bootje zit dat met die rimpel mee vaart vanaf het begin. (Ons sterrenstelsel.) Stel je ligt aan het begin in een heel klein rondje, met z'n twaalven. Dan komt de steen, en begin je allemaal dus met dezelfde snelheid van dat middelpunt af te bewegen. Ten opzichte van dat middelpunt heb je dus allemaal precies dezelfde snelheid, maar ten opzichte van elkaar niet. Stel rimpel beweegt met 1 meter per seconde naar buiten toe. Het bootje dat precies tegenover jou lag aan het begin, beweegt dus met 2 meter per seconde bij jou vandaan (want je vaart allebei met 1 m/s maar wel in tegengestelde richting) en zal dus heel snel kleiner worden. Terwijl jouw buurman ook precies net zo hard vaart (diezelfde 1 m/s), zal die dus veel langer in de buurt blijven. Maar je beweegt dus wel *sowieso* allemaal bij elkaar vandaan. Dus ook al vaar je net zo hard, hoe meer een ander bootje een andere richting uit vaart hoe sneller het aan de horizon verdwijnt. Zo werkt het ook met sterrenstelsels. Behalve dat het dan nog wat ingewikkelder ligt: het beweegt natuurlijk alle kanten op (3D, terwijl mijn voorbeeld 2D was). Maakt niet uit voor het principe, blijft net zo werken. Maar dan wordt het nog leuker: er zijn sterrenstelsels die langzamer vliegen en er zijn stelsels die sneller vliegen. Maar zelfs dan nog geldt precies hetzelfde: als ze langzamer vliegen bewegen wij ons bij hun vandaan, als ze sneller vliegen bewegen zij dus bij ons vandaan. Maar vanuit ONS standpunt gezien, staan zowel de langzamere als de snellere stelsels dus steeds verder bij ons vandaan. (Haal maar eens iemand in op de snelweg - hoewel je allebei dezelfde kant op rijdt zie je toch de auto achter je steeds kleiner worden in de spiegel.) Het verschil tussen het heelal en de snelweg is dat alle sterrenstelsels een constante snelheid hebben (is niet 100% waar maar close enough voor dit voorbeeld) terwijl auto's op de snelweg natuurlijk constant van snelheid veranderen. Toegevoegd na 1 minuut: ... ik bedoel met dat laatste verschil dus vooral dat sterrenstelsels elkaar NOOIT zullen inhalen en ook NOOIT ingehaald hebben, juist omdat die snelheiden constant zijn hoewel wel verschillend.

Ik zal proberen om het iets korter te houden. Het antwoord op je vraag is verpakt in 'de wet van Hubble'. Hemellichamen worden bestudeerd via hun licht of via andere straling (radio bijvoorbeeld). Dit gebeurt via spectroscopie. Daarnaast worden snelheden gemeten op basis het van dopplereffect. Vastgesteld is dat de zogenaamde spectraallijnen van objecten die zich van ons af bewegen in het rode deel van het lichtspectrum terechtkomen. Hoe groter de verschuiving in het rode deel van het spectrum, hoe groter de snelheid en hoe verder weg. Dit werd ontdekt door Edwin Hubble en was mede de basis voor de oerknaltheorie. De theorie zegt dus feitelijk dat na de oerknal, alle materie in verschillende snelheden werd weggeslingerd. En sterrenstelsels die het verst weg zijn, bestonden dus uit materie dat zich sneller vanaf het centrum verplaatste dan ander materie. Dat is het in een notendop. Meer informatie zie "de wet van Hubble" op internet.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Wet_van_Hubble

Overigens is het nog maar de vrààg of het werkelijk waar is wat je in jouw vraag stelt. Sedert enkele jaren heeft men gevonden dat roodverschuiving (dus: door snelheid van ons wegvluchtende sterrenstelsels) die roodverschuiving ook op een andere manier kan zijn veroorzaakt namelijk door extreme zwaartekrachtvelden en al die vertragingen bij elkaar opgeteld geeft dan dat bizondere effekt dat het wel lijkt dat: hoe verderweg: des te groter is hun roodverschuiving en dus: "vluchten" ze nog sneller maar dat bleek dus gezichtsbedrog te zijn! Sorry, maar de wetenschap heeft het vòòr 2008 dus altijd verkeerd gezien en het is mogenlijk dat er in je schoolboeken nog verouderde informatie instaat, helaas. Albert Hein die kruidenier heeft over het Universum een jaar geleden nog de actueel juiste dvd verkocht, nu helaas niet meer te koop bij hun. Voorts moet op Zaplog nog een artikel staan getiteld: Roodverschuiving is bedrog -wie verlost ons van de Oerknal? - dus dat kun je nog in zoekmodus daar wel vinden.

Heel simpel eigenlijk. De ruimte zelf rekt zich zelf uit. De aanname is dat dit komt omdat er energie zit in het vacuum zelf. Op het allerkleinste quantumniveau bruisen deeltjes uit het zogenaamde niets en verdwijnen weer, ze zorgen feitelijk voor het groter worden van de ruimte. Het wonderlijk is dat de laatste miljarden jaren de uitdijing van de ruimte zelf versnelt. De snelheid van de ruimte wordt nu geschat op ongeveer 80 kilometer per seconde over een afstand van 3,26 miljoen lichtjaar (= 1 megaparsec). Alleen wanneer grote melkwegstelsels in verhouding dicht bij elkaar in de buurt zijn, dan is de onderlinge aantrekkingskracht groter dan de snelheid van de uitdijing van de ruimte. Zoals ons eigen melkwegstelsel en het Andromeda Melkwegstelsel op ongeveer 2,3 miljoen lichtjaar afstand. Andromeda en wij koersen op elkaar af met een snelheid van ongeveer 200 kilometer per seconde en de kans is groot dat over 2 miljard jaar er een versmelting tussen Andromeda en wij zal plaats gaan vinden.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100