Wat bedoelt men met de volgende zin; Kan de morfologie van kwelders, slikken en schorren in korte tijd aanzienlijk veranderen ?

Ik kwam deze zin tegen in mijn aardrijkskunde boek, maar ik kwam er niet echt aan uit wat het nou betekende. Kan iemand mij misschien helpen?

Weet jij het antwoord?

/2500

Kwelders, slikken en schorren zijn allen onderdeel van getijdezones zoals je die bv in Zeeland aan de kust vind. Morfologie gaat over de huidige vorm en interactie die deze zones met elkaar en met de zee hebben.

Morfologie is een mooi woord voor 'de vorm'. De vraag is dus of de vorm van kwelders, slikken en schorren snel kan veranderen. Als het goed is, weet jij daar het antwoord op als je je boek nog eens goed doorleest en nadenkt over in wat voor gebied kwelders, slikken en schorren voorkomen.

Een centraal thema in de biologie is het verband tussen vorm en functie. De uitwendige bouw en vorm wordt beïnvloed door de genetische samenstelling en door het milieu (de omgeving). Het fenotype is dat wat we zien en is het gevolg van de wisselwerking tussen genotype en het milieu. Eigenschappen afhankelijk van het genotype zijn bijvoorbeeld dubbelbloemigheid, eenhuizig of tweehuizig, appel of peer. Milieu-invloeden zijn bijvoorbeeld een gele bladkleur door stikstofgebrek, vorstschade enz. Een wisselwerking is te zien bij dwerggroei van planten in de bergen.(wikipedia) Met mijn eigen woorden zou ik dit antwoord willen geven: "De vraagstelling begint met een als vraag gestelde "feitelijkheid"binnen een citaat., nl.: "Kan de morfologie van kwelders, slikken en schorren in korte tijd aanzienlijk veranderen"? Het antwoord op deze vraag is: Ja, als de omstandigheden er naar zijn, kan dat". Voorbeeld, waarin de vraag als feit is gesteld:: "Door het afsluiten van de waddenzee, bijvoorbeeld door hoge dijken aan te leggen tussen alle Waddeneilanden en Texel en Rottumerplaat te verbinden met het vaste land en de Waddenzee leeg te malen, kan de morfologie van kwelders, slikken en schorren in korte tijd aanzienlijk veranderen". Het zoute grondwater zal steeds minder zout worden en van brakwater zoet water worden dat zal verandering teweeg bergen in de alle levensvormen. Kortweg, het leefgebied is dermate veranderd, dat oude levensvormen verdwijnen en nieuwe vormen ontstaan. Een plas met een rietkraag. Het riet sterft af en zinkt naar de bodem. Dat gaat zo maar door. Totdat de afgestorven resten van het riet boven het water uitkomen. Er valt een zaadje van een wilg op, dat ontkiemt. Volgend jaar staat er een klein boompje. Na twee jaar staan er tachtig bomen en na 1.000.000. jaar staat er een oerbos, waar wilde dieren in leven. Terwijl vroeger toen het meer nog een meertje was er alleen maar guppies zwommen.

Bronnen:
wikipedia