Kan iemand dit stukje over de boom van de kennis van goed en kwaad uitleggen?

Op Wikipedia vond ik dit stukje informatie. Weet iemand wat het inhoudt, want ik kan er echt geen touw aan vast knopen.

In Kabbalah, the sin of the Tree of Knowledge (called Cheit Eitz HaDa'at) brought about the great task of beirurim, sifting through the mixture of good and evil in the world to extract and liberate the sparks of holiness trapped therein.[8] Since evil has no independent existence, it depends on holiness to draw down the Divine life-force, on whose "leftovers" it then feeds and derives existence.[9] Once evil is separated from holiness through beirurim, its source of life is cut off, causing the evil to disappear. This is accomplished through observance of the 613 commandments in the Torah, which deal primarily with physical objects wherein good and evil are mixed together.[10][11][12] Thus, the task of beirurim rectifies the sin of the Tree and draws the Shechinah back down to earth, where the sin of the Tree had caused Her to depart.[13][14]

Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Tree_of_the_knowledge_of_good_and_evil

Weet jij het antwoord?

/2500

De levensboom behelst zowel goed als ook kwaad, licht en donker maar vooral het begrip van wijsheid (heiligheid) dat het besef van het belang daarvan behelst en dat gesymboliseerd wordt door de boom. Omdat het kwaad niet kan bestaan zonder het goed is het onderdeel van diezelfde heiligheid. Het isoleren van het kwaad is dus het besef van de reden en daarmee lost het zichzelf op. De methode die in de Kabbala wordt gegeven van de 613 regels zal tot dat inzicht en de kennis leiden. (overigens wijkt dit niet af van het Boedhisme dat ook regels kent om tot zelfinzicht te komen). De rest van de tekst is het bewijs dat in de Kabbala te vinden is en betreft geen esotherische kennis of wetenschap.

Ter wille van de leesbaarheid en begripsvorming eerst de vertaling van het stukje. In de Kabbalah, heeft de zonde van ''de boom der kennis'' (Cheit Eitz HaDaát genoemd) de taak van beirurim teweeggebracht, die het goede van het kwade scheidt om de vonken van heiligheid te bevrijden van binnenuit. Omdat kwaad niet onafhankelijk kan bestaan, haalt het zijn bestaan uit en voedt het zich met het wegtrekken van Goddelijke kracht. Wanneer het kwaad van heiligheid is gescheiden door beirurim, is de bron afgesneden waardoor het kwaad verdwijnt. Dit wordt bereikt door de 613 geboden in de Torah, dat zich bezighoudt met fysieke zaken waarin goed en kwaad zijn gemengd, na te leven. De taak van beirurim herstelt de zonde van de boom en trekt de Shechinah terug naar de aarde, waar de zonde van de boom de reden was van haar vertrek. Het Bijbelboek Genesis verwijst naar de Kabbalah o.a. door in het scheppingsverhaal de boom der kennis van goed en kwaad en de levensboom in het midden van de Hof van Eden, het paradijs, te plaatsen. Dit, door jou aangehaalde, stukje uit het joodse mystieke Boek vermeldt dat de boom der kennis niet onafhankelijk kan bestaan. Het haalt zijn bestaan uit en voedt zich met het wegtrekken van goddelijke Kracht van de boom die naast haar staat, de levensboom. Vergelijk de levensboom met de zon en de boom der kennis van goed en kwaad met de aarde. De zon heeft warmte in zichzelf en straalt deze uit naar de aarde waardoor leven mogelijk werd. Zodra de aarde gescheiden wordt van de zon is het met alle levens en –vormen gedaan. De vonken van heiligheid, de Geestvonk, en de goddelijke Geest zijn wezens-Een; beide bevatten dezelfde eigenschappen zoals een druppel water dat naar de Oceaan terugvloeit daar geheel in opgaat. Nu vermeldt het stukje uit de Kabbalah dat het kwaad verdwijnt zodra deze van heiligheid wordt gescheiden. M.a.w. als de boom der kennis gescheiden wordt van de levensboom dan verdort het. En nu de gevraagde uitleg, waarbij de rest van het stukje wellicht wat meer duidelijkheid zal geven. De boom der kennis van goed en kwaad staat symbool voor het universum als deel van het Al dat aan de schepper van hemel en aarde is toegewezen. De Kabbalah noemt deze schepper “het kwade” en gnostici noemen deze “Demiurg”; een halfgod met menselijke eigenschappen, die hij ook aan de mens als zijn maaksel heeft meegegeven.