wanneer is er sprake van omiddelijk en middelijk bezit?

Bijvoorbeeld een dief is dat een middelijk of onmiddellijk bezitter?
art 3:107 BW snap ik niet

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Van onmiddellijk bezit is sprake indien het goed niet door een ander voor de bezitter wordt gehouden, terwijl bij middellijk bezit het goed door een houder namens de bezitter wordt gehouden. Als iemand een boek uit de bibliotheek steelt dan is de bibliotheek nog wel de eigenaar maar niet langer de bezitter (en dus "eigenaar-niet-bezitter"). De dief is nu "bezitter-niet-eigenaar" van het boek (en dus geen houder). Een dief houdt namelijk het gestolen goed voor zichzelf en kwalificeert zich daarmee als bezitter. Dus een dief is een onmiddelijk bezitter niet eigenaar van het goed. Iemand die leent is houder omdat hij het goed houdt van/voor iemand anders die het goed middelijke (via de houder/lener) bezit. https://nl.wikipedia.org/wiki/Bezit_(Nederlands_recht)

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100