Waarom schrijf je woorden flierefluitende met een d en niet met een t: flierefluitente? De stam is flierefluit en de t zit toch in het taxi-kofschip?

Toegevoegd na 24 seconden:
ik bedoel: woorden zoals flierefluitende

Weet jij het antwoord?

/2500

Dit heeft niets met 't kofschip te maken. Als je van een werkwoord een bijvoeglijk naamwoord wilt maken, zet je er -d(e) achter. Toegevoegd na 40 seconden: of nog met een n erbij, gebeurt ook soms.

Omdat het geen tegenwoordige of verleden tijd is, maar een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een werkwoord. Dan geldt alleen de allerlaatste letter : de n. (En dat is bij de meeste werkwoorden zo - volgens mij zelfs alle). En of je een bijvoeglijk naamwoord nu maakt van een zelfstandig naamwoord, een kleur, een telwoord, een bijwoord of een werkwoord, er komt eigenlijk altijd de achter, behalve wanneer het woord eindigt op een t. Dan komt er - te achter. Fietsende, fluitende, werkende, wetende, zeggende, liggende, allemaal met de. Het kofschip heeft hier NIETS mee te maken. Toegevoegd na 2 minuten: Pas als flierefluiten als werkwoord wordt gebruikt (ik flierefluit, jij fliierefluit, hij flierefluit) krijg je in de VERLEDEN tijd te maken met het kofschip, en wel omdat een vervoegd werkwoord zwak wordt. Waar de verleden tijd van fluiten floot-floten is, krijg je hier in de verleden tijd flierefluitte, geflierefluit. In ede praktijk gebruiken we deze vorm eigenlijk niet. En omdat de stam flierefluit is op een t, komt er in de verleden tijd -te achter. (en niet flierefluitde ; eigenlijk spreekt dat bij de t vanzelf).

Omdat dit soort bijvoeglijke naamwoorden gebaseerd is op de stam van een werkwoord. Niet flierefluit maar flierefluiten. Als je tijdens je werk aan het fluiten bent dan doe je dat werk fluitend. Je bent een fluitende werknemer, geen fluitente. Zo ook een rijdende rechter, een opvliegend karakter, een voltooid werkstuk, et cetera.