Is de stam van het werkwoord stoten ''stot'''of ''stoot''?

Ik heb dit nodig voor spelling voor Nederlands. Namelijk met de stam weet je in of je een -d of -t moet gebruiken in de verleden tijd. Bij dit voorbeeld maakt het niet zoveel uit want de laatste letter is -t maar er zijn wel voorbeelden waarbij het wel uitmaakt. Ik dacht altijd dat de stam de ik-vorm was in de tegenwoordige tijd.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Stot, de stam is namelijk het hele werkwoord min EN. Toegevoegd na 4 minuten: Voorbeeld : beloven ==> belov ==> V zit niet in 't kofschip dus in de verleden tijd DE(N). Daarom is het "ik beloofde" ondanks dat ik beloof wel een F op het eind heeft.

Bronnen:
https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/stam...

In de verleden tijd kent elk werkwoord slechts twee vormen: enkelvoud, ongeacht IK, JIJ of HIJ meervoud In de verleden tijd wordt vaak onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke werkwoorden Bij zwakke werkwoorden is de verleden tijd meestal opgebouwd uit de ik-vorm met TE(N) of DE(N) erachter. Wanneer TE en wanneer DE? Dat kun je onthouden met de regel van 't kofschip. Die regel kijkt naar de letter die in het hele werkwoord voorafgaat aan "-en". Meestal is dat ook de laatste letter van de ik-vorm (tegenwoordige tijd), maar let op bij werkwoorden op -VEN en -ZEN. De ik-vorm + TE(N) als het werkwoord eindigt op -TEN, -KEN, -FEN, -SEN, -CHEN, -PEN of -XEN: stoten - ik / jij / hij stootte - wij / jullie / zij stootten pakken - ik / jij / hij pakte - wij / jullie / zij pakten boffen - ik / jij / hij bofte - wij / jullie / zij boften missen - ik / jij / hij miste - wij / jullie / zij misten lachen - ik / jij / hij lachte - wij / jullie / zij lachten stappen - ik / jij / hij stapte - wij / jullie / zij stapten faxen - ik / jij / hij faxte - wij / jullie / zij faxten Je ziet bij stoten: als de ik-vorm al op een T eindigt, komt er een extra T bij in de verleden tijd. De ik-vorm + DE(N) bij de overige werkwoorden: tobben - ik / jij / hij tobde - wij / jullie / zij tobden branden - ik / jij / hij brandde - wij / jullie / zij brandden leggen - ik / jij / hij legde - wij / jullie / zij legden maaien - ik / jij / hij maaide - wij / jullie / zij maaiden breien - ik / jij / hij breide - wij / jullie / zij breiden halen - ik / jij / hij haalde - wij / jullie / zij haalden noemen - ik / jij / hij noemde - wij / jullie / zij noemden lenen - ik / jij / hij leende - wij / jullie / zij leenden kanoën - ik / jij / hij kanode - wij / jullie / zij kanoden roeren - ik / jij / hij roerde - wij / jullie / zij roerden De stam van stoten is dus stoot (ik, jij, hij stoot)

Bronnen:
http://www.beterspellen.nl/website/index.p...

eigenlijk zoek je de stam door het hele werkwoord - en te doen, dus ; stoten-en = stot maar in het Nederlands is de ik-vorm de stam, en het is niet ik stot, maar ik stoot. dus de stam is stoot. neem maar eens een voorbeeld aan lopen; lopen - en = lop. maar ik lop kan niet, dus is het ik loop een werkwoord waarvan je wel en eraf kunt halen is bijvoorbeeld werken; werken- en = werk ik werk klopt wel

In een goed worden boek staat het duidelijk vermeld. Je hebt te maken met een stompe klinker of een lange klinker. Korte is o e a i. Lang is oo ee aa enz. en het is makkelijk te herkennen hoe je het hebt te schrijven. In jou geval het woord (stoten), de o is een lange klinker ó of oo uitgesproken. Als je het woord verdeeld in letter grepen word het al gauw duidelijk. Sto-ten de ó is open en word dus een lange klinker, want hij word niet opgesloten door een medeklinker. Zou het gaan om een stompe (ò) zoals otter, verdeel je deze in letter grepen dan ot-ter de (ò) is een korte klinker, want deze word gesloten door een medeklinker. Veel succes

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100