wanneer gebruik je 'ik' en wanneer 'mij' ?

bijvoorbeeld: papa vroeg aan mama en...(ik of mij ?)

Weet jij het antwoord?

/2500

Ik is de vorm die bij een werkwoord hoort en mij/mijn is de vorm die een bezit aangeeft. De n komt er achter als het woord voor het voorwerp staat Het boek, jas huis etc. is van mij. Het is mijn boek, mijn jas, mijn huis Bij ik is er altijd een werkwoord: Ik vraag aan mama (werkwoord vragen). Bij het gebruik van het woord aan gebruik je ook mij. Dus: Mama vraagt aan mij. Toegevoegd na 3 minuten: In de bron extra uitleg op onze taal over: Bij gebruik van als: Iemand als ik Bij gebruik groter/kleiner: Iemand groter dan ik Bij gebruik van mankeren: Mij mankeert niets / Ik mankeer niets

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/355
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/516
http://www.onzetaal.nl/taaladvies/advies/i...

Ik = onderwerp, mij is lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp. Pappa vroeg aan mamma en mij of we nog een ijsje wilden. Pappa vroeg mij hoe laat het was. Pappa vindt net als ik (vind) dat Ajax veel beter is dan Vitesse. Pappa geeft een koekje aan mamma en mij. Pappa geeft mij een koekje. Pappa geeft (aan) mamma een koekje in plaats van (aan) mij. Pappa geeft (aan) mij een koekje in plaats van (aan) mamma. Pappa ziet mamma en mij.

Ik is net als hij, zij, wij, jullie. een persoonlijk voornaamwoord. Mij is net als haar, hem, zich, hun. Mij verwijst naar jezelf, dus: Dat boek is van mij Geef het aan mij Het gebeurt mij elke dag Het is "papa vroeg aan mama en mij" Omdat er het woordje "aan" voor staat. Als er een voorzetsel voor staat is het mij. Dus voor mama en mij, naast mama en mij, achter mama en mij, etc. Je kunt namelijk ook zeggen papa vroeg aan mama en aan mij. Dat maakt het wat duidelijker. Als er dus geen voorzetsel staat is het dus "ik". Mama en ik gaan naar de speeltuin. Wie is er groter? Mijn broer of ik? Etc.

Ik of mij...........jij of jou.........hij of hem.......zij of haar..........wij of ons.......zij of hen(hun). Als je niet weet of je ' ik of mij' moet schrijven in een zin als bijv; "jij bent veel sterker dan ik/mij of wat te denken van "jullie lezen meer boeken dan wij/ons, is er een simpele oplossing; Vul achter het woord waarvan je denkt dat het goed is, het werkwoord in dat in de zin staat en lees de zin eens hardop. Op dat moment hoor je precies welk woord je moet kiezen. het kan niet missen. Jij bent veel sterker dan ik (ben)- jij bent veel sterker dan mij ben. Ik ben langer dan jij (bent)- ik ben langer dan jou bent. Zij is muzikaler dan hij (is)- zij is muzikaler dan hem is. Jullie lezen meer boeken dan wij (lezen)- jullie lezen meer boeken dan ons lezen. Hij voetbalt vaker dan zij (voetbalt)- hij voetbalt vaken dan haar voetbalt. 'Ik' is een persoonlijk voornaamwoord. Persoonlijke voornaamwoorden zijn; Ik, me, mij, je, jij, jou, hij, hem, zij, ze, haar, u, we, wij, ons, jullie, hen, en soms het zoals in; hij heeft hem/het gekocht of "Zie je dat kind? " Ja, ik heb het gezien". Ik ben een persoon, jij bent een persoon, hij is een persoon, zij is een persoon, wij zijn personen en zij zijn personen; allemaal persoonlijke voornaamwoorden. Mij is een woord op betrekking heeft op mezelf als persoon, het is een wederkerEND voornaamwoord. Dit duidt dezelfde persoon aan als het onderwerp in de zin. Ik schaam mij (mij wijst naar 'ik') Jij schaamt je (je wijst naar jij) Zij schamen zich ( zich verwijst naar zij) Let op; er is óók nog een wederkerIG voornaamwoord en dat is er maar één ; namelijk 'elkaar'! Zij kussen elkaar. Je hebt ook nog bezittelijke voornaamwoorden ; mijn, jouw, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, uw, hun. Zij geven aan van wie iets is (wie het bezit) en staan altijd voor het bezit waar ze bij horen; mijn paard, zijn auto, jullie huis. Let op; Staat het vnw. áchter het bezit en staat het woord 'van' ervoor, dan is het een persoonlijk vnw; dat paard van mij, die auto van hem enz. Toegevoegd na 11 minuten: Geldt ook voor voorzetsels als bijv; aan, voor, door, na, tussen, op enz. voor mij, achter hem, tussen ons, aan jullie enz.. Toegevoegd na 1 uur: Op jouw vraag; ....aan mama en mij of ik.... Zeg eens hardop; papa vroeg aan mama en aan ik en je zult horen dat dit niet klinkt. het is dus altijd ....aan mama en mij. Of...aan haar en mij. Nooit aan zij en ik.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100