Waarom is het ´´koemelk´´ maar ´´kippenpootje´´?

Want je zegt zowel ''de koe'', als ''de kip''. Ook de meervoudsvormen ''koeien'' en ''kippen'' lijkt me geen reden. Het is ook ''kippensoep'', ''kippensaus'', etc. . Wat bepaald of het in de samenstelling een meervoud is?

Toegevoegd na 20 minuten:
Sorry, heel slecht natuurlijk ''bepaald'' moet ''bepaalt'' zijn.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Ik zou zeggen dat taal een soort levend ding is, dat verandert en zich aanpast aan/in de mond van de gebruikers. Wat ik daarmee bedoel, is dat rare regeltjes vaak een heel praktische en/of systematische klankgerelateerde reden hebben, waar wij ons niet meer van bewust zijn. We zeggen bijvoorbeeld zonnetje en kammetje, versus zoontje en raampje, vanwege de lengte van de klank. We hebben renDE en maalDE versus hakTE en gaapTE, omdat de laatste klank in de infinitief van die laatste twee werkwoorden stemloos is. Net als de t. (Als ik gebruik mag maken van Marleens voorbeelden:) Varkensgehakt is geen samenstelling van varkens+gehakt, maar van varken+tussenklank s+gehakt: we zeggen die s omdat dat lekkerder bekt. Misschien is die ooit wel in die positie terechtgekomen vanwege de genitief of een meervoud, maar ik denk dat het feit dat een s eigenlijk overal voor of achter te plakken is zeker een rol speelt in zijn populariteit. Zo zit het hier ook. Een samenstelling van twee eenlettergrepige woorden bekt vaak niet lekker, dus plakken we er iets neutraals als een sjwa ('stomme e') tussen om vervelende overgangen te vermijden; bovendien breng je ritme in zo'n woord. Ik denk dat uitzonderingen vrijwel allemaal te verklaren zijn uit aanvullende omstandigheden die met klankcombinaties en ritme te maken hebben. "Dat verdient een bloempje" zingt gewoon niet zo lekker, koe+uier is vervelender om uit te spreken dan koe+'je'+uier. En koemelk... kon nog weleens gewoon door 1 mafkees bedacht zijn en op de pakken zuivel gezet zijn (ruimtebesparing...), waarop het zich verspreidde als een besmettelijke ziekte.

Een jaar of wat geleden is er een commissie geweest die de regels rond de tussen-n voor eens en voor altijd uit de wereld zou helpen. Dat is jammerlijk mislukt. Voor die tijd was de ezelsbruk-met-uitzonderingen simpel: in een kippenhok zitten meestal meerdere kippen, een hondehok is voor 1 hond. Het was destijds kippepootje omdat het een pootje van 1 kip was en kippenvoer omdat je er meerdere kippen mee voert, kippesoep of kippensoep werd als ik me goed herinner allebei gebruikt (en goedgevonden). Nu zijn de uitzonderingen de regel geworden en begrijpt niemand meer hoe het zit (behalve de commissieleden)

De vraag zou eigenlijk moeten zijn : waarom is het kippenei en kippensoep maar KIPfilet en KIPgehakt ? Waarom is het koeienuier en koeienpoep, maar KOEmelk ? Het verschil lijkt hem misschien te zitten in het contrast ; dier als levend beest' versus 'dier als product'. Met de koe is dat nog een beetje gekker, omdat we zijn / haar vlees geen koe maar rund noemen. (waar je wel weer het onderscheid runderstal / rundvlees ziet). Maar om het ingewikkelder te maken, is dat ook weer niet met alle beesten zo ; varkensstal en varkensgehakt zijn beiden afgeleid van het meervoud. En zeggen we wel geitenmelk en ezelinnenmelk. Die vlieger gaat dus helaas niet op. De enige conclusie die je daar uit kunt trekken, is dat taal niet altijd even consequent is, en dat woorden op een gegeven moment ook gewoon 'goed' zijn omdat iedereen ze zo gebruikt. Zo ben ik beter bekend met de spelling/uitspraak / variant ' koeienmelk' . De tussen-n is hier trouwens helaas niet relevant en ook niet behulpzaam : kippeëi of kippenei, koeieuier of koeienuier, dat veranderd de verlenging van het woord en het contrast met woorden als kipfilet en koemelk niet.

Bij ons in de Randstad spreken we van koeienmelk, kippengehakt, varkenslever enz. Misschien omdat ik dicht bij Haarlem woon? De stad die bekend staat als dé stad waar het Nederlands het zuiverst gesproken wordt. De tussen-n- regel is overigens veranderd. Je voegt geen -n- toe als het eerste deel een zelfst. nmw. is, dat in het meervoud op -en- eindigt zoals 'boerendochter- fietsenmaker'. Bij de oude spelling mocht er geen -n- worden toegevoegd aan samenstellingen waarvan het eerste deel een dierennaam was terwijl het tweede deel een plantkundige aanduiding bevatte, zoals paardebloem, kattekruid. Bij de nieuwe spellling plaats je in dit geval de tussen-n- wel; paardenbloem, kattenkruid. Het was echter wel altijd kattenstaart en paardenvijg omdat dit geen plantkundige aanduidingen zijn. Dit was echter nooit echt duidelijk want het kon problemen opleveren. Neem een woord als Bere(n)klauw en leeuwe(n)bek, als zijnde namen van planten, waar het tweede deel alleen in overdrachtelijke zin is gebruikt. Al met al weten we vaak niet meer waar we aan toe zijn en zo is er inmiddels een (groen) boekje met de officiële spelling en een (wit) boekje met de onofficiële spelling en worden beide gebruikt. Zo verandert taal steeds weer en zal nu met de nieuwe 'sms' taal en andere geïntrigeerde culturen, onze taal weer verder veranderd zijn. Tja, je moet wat om in het doodsaaie leven van een taalpurist nog wat opwinding te brengen! (^0^)

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100