als er fur ohne um gegen en durch voor het woord staat is het dan meteen vierde naamval ?

dit is dus mijn duits huiswerk en ik snap geen bal van de eerste en vierde naamval !!

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Dit klopt. Je zou het in verschillende stappen in kunnen delen: 1) Als een van deze voorzetsels voor het woord staat heb je te maken met de 4e naamval. Dan hoef je niet verder te zoeken. 2) Het kan ook zo zijn dat een van deze voorzetsels niet voor het woord staan en het alsnog behoort tot de 4e naamval. In dat geval kijk je naar de zinsbouw; de vierde naamval = lijdend voorwerp. Dit heb je als het goed is al bij Nederlands geleerd, maar het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. Je hebt ook moeite met de eerste naamval schrijf je, bedenk dat dit gewoon het onderwerp in de zin is.

Ja, maar je vergeet er twee: Ook bij Bis en Entlang heb je de vierde naamval. Zie: http://nl.wiktionary.org/wiki/WikiWoordenboek:Duitse_naamvallen#De_vierde_naamval_.28accusatief.29 Misschien heb je hier ook nog wat aan: http://www.ezelsbruggetje.nl/duits/

Alle voorzetsels die je in je vraag noemt, krijgen de 4de naamval. Wat voor voorzetsel in de 4de naamval er dan achter komt, hangt dan ook weer afvan het geslacht(mannelijk, vrouwelijk, onzijdig) van het woord. De beste volgorde is: eerst geslacht van de woorden weten (die kun je opzoeken in een woordenboek) en dan de functie die de zinsdelen hebben, bepalen. (onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp). De basiskennis van de grammatica van het Nederlands moet dus goed zijn, om de grammatica van het Duits te begrijpen Er zijn in het Duits echter bepaalde voorzetsels die altijd een bepaalde naamval achter zich krijgen, zoals die die jij noemt. Het onderwerp van een zin heeft altijd de eerste naamval. Er zijn geen bepaalde voorzetsels die altijd de eerste naamval achter zich krijgen. Het onderwerp bepaal je door te kijken wie in de zin de handeling verricht en waar dus de persoonsvorm naar vervoegd is. Je kunt vragen. Wie....? Op de website hieronder wordt het kort en duidelijk uitgelegd. Succes!

Bronnen:
http://www.schooltv.nl/eigenwijzer/2199654...

De vierde naamval krijgt het lijdend voorwerp. Neem bijv. de zin; "ik zie de man". Stel dan de vraag; Wie ziet de man? Het antwoord is; 'ik' en dan is 'ík' het onderwerp. Het onderwerp krijgt de eerste naamval. Ook bij het naamwoordelijk deel van het gezegde heb je de eerste naamval bijv. 'Ich bin EIN Mann. Wat zie ik? 'de man' en dan is 'de man' het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp krijgt altijd de vierde naamval. Ich sehe DEN Mann. Ook na dit rijtje voorzetsels, dat je het best uit je hoofd kunt leren; durch, für, ohne, um, bis, gegen en entlang komt altijd de vierde naamval, dus; für den Mann, ohne den Mann, gegen den Mann usw. Ook na werkwoorden als; bitten, fragen, kosten, krijg je de vierde naamval. En dan is er nog het rijtje keuzevoorzetsels waarbij je óf de derde óf de vierde naamval moet zetten. Uit je hoofd leren; an, auf, in, über, unter, neben, vor und zwischen. Bij deze keuzevoorzetsels moet je dan eerst bepalen of het een bepaling van plaats is en het hele werkwoord + voorzetsel zich bevinden in een ruimte, uitdrukt. Derde naamval; Ich BIN in DEM Zimmer, ich sitze in dem Zimmer, ich gehe in dem Zimmer hin und her. (je loopt namelijk heen en weer in die ruimte,de kamer) Vierde naamval; Als het GEEN bepaling van plaats is met de voorzetsels 'auf'en 'über'; Ich ärgere mich über den Jungen, ich bin böse auf den Jungen. En; Als het een bepaling van plaats is en het hele werkwoord+ voorzetsel zich niet bevinden in een ruimte uitdrukt; Er springt in das Schwimmbad, ich gehe in das Zimmer. In feite heb je bij 'rust' dus de derde naamval en bij een beweging (als het niet in één ruimte is)de vierde naamval. Ich bin in dem Zimmer Ich gehe in das Zimmer.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100