Wat is het onderwerp in de zin: Op de feesttaart brandde vijftien kaarsjes? Is het dan 'de feesttaart' of 'op de feesttaart' omdat dat 1 zinsdeel is?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Bij de vraag "Wat brandden op de feesttaart?" is het antwoord "vijftien kaarsjes". Dus het onderwerp = vijftien kaarsjes

het zijn de kaarsjes die branden en dus het onderwerp zijn.

Een onderwerp kan niet beginnen met een voorzetsel, zoals op, in, naar etc. Logischerwijs hou je dan maar één ander zinsdeel over: vijftien kaarsjes. Omdat vijftien kaarsjes meervoud is, moet het ook 'brandden' zijn.

15 kaarsjes. Brandde hoort er niet bij Het onderwerp van de zin is degene die of datgene wat in de zin iets doet of is. Wat moeilijker gezegd: het onderwerp is degene die of datgene wat de werking van het gezegde verricht of van wie of wat die werking uitgaat. In de volgende zinnen is het onderwerp steeds gecursiveerd. 1. Sam speelt verstoppertje. (Sam doet iets) 2. Op donderdag is het restaurant bij mij op de hoek gesloten. (het restaurant bij mij op de hoek is iets) 3. Mijn moeder, die zelf uit Amsterdam komt, woont al dertig jaar in Rotterdam. (mijn moeder, die zelf uit Amsterdam komt, doet iets) 4. Het regent nu al dagen. (het doet iets) 5. Het probleem zijn de hoge kosten. (de hoge kosten zijn iets) 6. Mijn zusje gaat nooit naar de discotheek. (mijn zusje doet iets) Zoals uit bovenstaande zinnen blijkt, kan het onderwerp bestaan uit een of twee woorden, maar ook uit langere constructies, zoals de zinnen 2, 3 en 5. Het onderwerp van de zin bevat een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord.

Bronnen:
Onze taal

Het onderwerp is inmiddels ruimschots gegeven : de kaarsjes. Dat zijn namelijk de voorwerpen die in deze zin de actie ondernemen : branden. Of eigenlijk in de verleden tijd : brandden. Je wordt op het verkeerde been gezet doordat 'brandde' in de verkeerde persoonsvorm staat, namelijk enkelvoud. En 15 kaarsjes die branden, (of brandden), dat is natuurlijk meervoud, dus hoort er een N achter. De correct zin luidt dus : Op de feesttaart (bijvoeglijke bepaling van tijd) brandden (gezegde) 15 kaarsjes (onderwerp). En bij het ontleden : wie of wat doet/deed iets ? Vijftien kaarsjes. Wat doen/deden ze ? Ze brandden. Waar ? Op de feesttaart.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100