Wat is het voltooid deelwoord van breien( of is het breiden) in tegenwoordige en verleden tijd?

Normaal weet ik wel hoe ik iets moet schrijven (spellen, grammatica), maar nu ben ik even de kluts kwijt :(

Wat is het voltooid deelwoord in tegenwoordige tijd én van verleden tijd van het woord:

breien? (of is het breiden...??)

Ik heb dat gebreiden?
Ik heb dat gebreien?

Ik had dat gebreden?
Ik had dat gebreën? (klinkt als "gebreejen) (met " op de e? en vast nog een extra e?)

Wat is goed?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Het werkwoord is breien. Tegenwoordige tijd is: Ik brei jij breit hij/zij breit U breit Wij breien Jullie breien Zij breien Verleden tijd: Ik breide jij breide hij/zij breide U breide Wij breiden Jullie breiden Zij breiden Voltooid deelwoord: gebreid Ik heb gebreid (voltooid tegenwoordige tijd) of ik had gebreid (voltooid verleden tijd(

Gebreid :)

het is inderdaad Gebreid (Y)

Het hele werkwoord is breien, dus het voltooid deelwoord is met een d aan het eind (regel 't kofschip): gebreid.

Bronnen:
http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/breien

Voltooid deelwoord: gebreid Voltooit tegenwoordige tijd: ik heb gebreid jij hebt gebreid hij heeft gebreid wij hebben gebreid jullie hebben gebreid zij hebben gebreid

Bronnen:
http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/breien

Het voltooid deelwoord is onafhankelijk van de t.t. of de v.t. en is gebreid.

Het voltooid deelwoord is gebreid. Ik heb een sok gebreid. En voor de volledigheid: De verleden tijd van breien is: breide Zij breide een sok.

Het voltooid deelwoord dat wordt gevolgd door een hulpwerkwoord, staat formeel net als in het Engels in de verleden tijd. Heeft geleefd. Het is iets wat al is geweest. Heeft gebreid. Je kunt dus helemaal niet spreken over tegenwoordige- en verleden tijd. Dus ik heb dat gebreid en ik had dat gebreid. Je ziet hier dat het vvt niet verandert. Je kunt wel zeggen zij breide een trui.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100