Let op: Startpagina GoeieVraag geeft geen medisch advies. De antwoorden en reacties zijn geen vervanging voor een consultatie bij een arts. Raadpleeg bij gezondheidsklachten daarom altijd een arts.

Maakt ieders immuunsysteem dezelfde antistoffen tegen indringers?

Als twee mensen geïnfecteerd raken met hetzelfde virus X of met dezelfde bacterie Y, en als die indringer nog onbekend is, zullen hun beider lichamen antistoffen gaan maken tegen de indringer.

Maken beide personen dezelfde antistoffen aan? Of is het ook mogelijk dat de ene persoon antistoffen aanmaakt tegen een bepaalde component van de indringer, terwijl de andere persoon andere antistoffen aanmaakt, tegen een andere component van dezelfde indringer?

 

PS.
Ik ben me bewust van een eerdere vraag over dit onderwerp, maar die ging alleen over virussen. Het daar gegeven antwoord zegt eigenlijk alleen maar "Ja, de antistoffen zijn bij iedereen gelijk", zonder toelichting en zonder bronvermelding. Voor mij is de toelichting (eventueel via een bronvermelding) juist een meerwaarde. Ik ben dan ook niet op zoek naar een "ja" of een "nee", maar naar een "waarom" of een "want zo zit dat".

Eerdere vraag:
http://www.goeievraag.nl/vraag/persoon-gezondheid/gezondheid/overig/antistoffen-virus-dezelfde-ieder-lichaam.268563
 

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Nee, de antistoffen zijn een gevolg van natuurlijke selectie na een erg ingewikkeld proces van "gene splicing" en zo. (ik kan dat soort ingewikkelde schema's niet zo goed onthouden, maar te vinden in de bron). In de praktijk onstaat dan een ratjetoe van antistoffen, waar eerst de antistoffen tegen lichaamseigen weefsel en producten uit weggeselecteerd moeten worden, dat gebeurt tijdens de embryonale ontwikkeling. Er zijn dus allerlei kandidaat antistoffen, die bij een infectie zichzelf kunnen bewijzen. Goede antistoffen binden en daardoor ontstaat door nog ingewikkelder mechanismen klonen met het succesvolle antistoffen, die weer actief worden bij een nieuwe infectie. Succesvolle antistoffen worden uitgeselecteerd. Bij een infectie heb je dus in de praktijk een hele set antistoffen die succesvol zijn. Alleen de monoklonale antistoffen zijn identiek. Daarvoor moet je 1 antistof producerende cel onsterfelijk maken door hem te mengen met een kankercel, zodat je een kloon van die cel (hybridoma) krijgt en flinke hoeveelheden precies gelijke antistoffen. De monoklonale antilichamen worden in vitro (reageerbuisjes) gekweekt. Binnen een mens zijn er dus al allerlei verschillende antilichamen die tegen allerlei antigenen die de vreemde bacterie presenteert werkzaam zijn. Bij verschillende mensen is er een nog grotere variatie in antilichamen, die ook weer tegen andere antigenen actief kunnen zijn. Immunologie is een wetenschap op zich en de monoklonale antilichamen worden voor allerlei zaken gebruikt die niets met ziektes en dergelijke te maken hebben, maar alles met detectie van interessante moleculen. Aan de andere kant van de monoklonale antilichamen kun je bolletjes goud, fluoriserende of radioactieve stoffen of enzymen hangen.

Bronnen:
http://biology.kenyon.edu/courses/biol114/...

De membranen van cellen bestaan uit 2 lagen fosfolipiden en allerlei soorten membraaneiwitten. Aan die membraaneiwitten zitten vaak ketens van koolhydraten. De membraaneiwitten hebben verschillende functies. Ze dienen soms als doorlaatpost voor moleculen die niet via diffusie door het membraan kunnen. De eiwitten met koolhydraten zijn per organisme verschillend. Cellen kunnen elkaar herkennen aan deze membraaneiwitten. Mensen en dieren maken tegen cellen met vreemde stoffen in de membraan antistoffen. Een stof (meestal een eiwit met koolhydraatketen zogenaamde glycoproteïnen) die niet in je lichaam thuis hoort, een lichaamsvreemde stof , is een antigeen. Antigenen kunnen zitten op cellen van andere mensen, die je bijvoorbeeld met een bloedtransfusie of een orgaantransplantatie in je lichaam krijgt of op cellen van vreemde organismen zoals bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers die in je lichaam komen. Cellen met lichaamsvreemde stoffen worden door ons lichaam onschadelijk gemaakt. Dat kan op twee manieren: 1.Algemene afweer (a-specifieke afweer) Door speciale witte bloedcellen (leucocyten)worden vreemde cellen opgevreten (fagocytose). Deze witte bloedcellen vreten alles wat vreemd is (niet specifiek). 2. Specifieke afweer Andere typen witte bloedcellen maken antistoffen tegen specifieke antigenen of doden cellen die aangetast zijn door virussen en bacteriën. Het bijzondere is dat voor ieder mogelijk antigeen (miljoenen!) aparte lymfocyten in het lichaam zitten. Deze lymfocyten worden echter pas in grote getale gemaakt na een besmetting met dat vreemde antigeen. Het duurt na een besmetting dus even voor er voldoende antistoffen zijn om de indringer, meestal een bacterie of virus uit te schakelen. In die periode kan de ziekteverwekker zich zo snel vermenigvuldigen dat een mens ziek wordt. Zodra er voldoende cellen met antistoffen aangemaakt zijn, wordt de ziekteverwekker uitgeschakeld en geneest men. Als de aanmaakt te lang duurt, wint de ziekteverwekker. Na een tweede besmetting worden veel sneller antistoffen gevormd. Tijdens de eerste besmetting zijn geheugencellen gemaakt die informatie bevatten om bij een tweede besmetting zeer snel antistoffen te maken, zodat de ziekteverwekker snel uitgeschakeld is. Men is immuun tegen de ziekte. Hieruit kun je opmaken dat dit dus inderdaad het geval is.

Bronnen:
http://www.bioplek.org/animaties/afweer/af...

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100