Wanneer is geldt precies de marktvorm: oligopolie?

Ik ben een 4e-jaars student commerciele economie en heb laatst op een tentamen een vraag gehad, waarbij men vroeg naar de marktvorm van de automarkt. Het behoeft geen toelichting dat dit het om heterogene producten gaat. Mijn vraag is echter hoe het nu is gesteld met de variabele van het aantal aanbieders. (monopolie, oligopolie of polypolie). De definitie van een monopolie is duidelijk (één aanbieder). Die van oligopolie (weinig aanbieders) of polypolie (Veel aanbieders) niet. Veel en weinig zijn immers relatieve begrippen.
Zoals ik het heb begrepen is daarom (om een lijn te kunnen trekken tussen oligopolie en polypolie) een C4-index (gezamenlijk marktaandeel van de 4 grootste aanbieders in die markt) in het leven geroepen, wat zegt dat (volgens NIMA) bij een oligopolie de C4-index minstens 50% moet zijn.
tot zover de theorie, zoals ik deze interpreteer...

Als ik dit toepas op de automarkt, dan is het niet zo dat de 4 grootste aanbieders de helft of meer van de markt in handen heeft (C4-index is dus lager dan 50), wat aangeeft dat het een polypolie is. --> heterogreen, dus monopolistische concurrentie.

Toch is die vraag fout gerekend en kreeg ik het bericht dat de automarkt toch echt een polypolie is. Wat is mijn denkfout? Wanneer is iets nu precies een oligopolie of een polypolie?

Graag alleen antwoorden van deskundigen en/of betrouwbare bronnen.

Toegevoegd na 3 minuten:
ik heb een foutje getypt zie ik.
De vraag is dus fout gerekend met het bericht dat de automarkt een oligopolie is.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

In 2010 hadden de vijf grootste autofabrikanten een gezamenlijk wereldwijd aandeel van ongeveer 45% (Toyota, GM, VW, Hyundai en Ford) Dit is grofweg overeenkomstig met de grootte die een oligopolie kenmerkt. Een ander belangrijk kenmerk van een oligopolie is dat het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is, tot de markt toe te treden als nieuwkomer. Ook dit kenmerk is van toepassing op de automarkt. Ten slotte kenmerkt een oligopolie zich, doordat aanbieders binnen de markt erg op elkaars gedrag letten. Vergelijkbare modellen van verschillende autofabrikanten kosten ongeveer hetzelfde en wanneer één van hen prijzen verlaagt of verhoogt, is de rest geneigd hierin mee te gaan. Kort gezegd is de automarkt zeker een oligopolie. Toegevoegd na 2 minuten: Vind net nog een citaatje op Wikipedia: "Een voorbeeld van C6-oligopolie is de autoindustrie: er zijn ruim 50 verschillende merken, maar de 6 grootste autofabrikanten Toyota, General Motors, Volkswagen, Ford, Renault, en Nissan nemen gezamenlijk ongeveer 50% van alle autoverkopen voor hun rekening[1] en de resterende 44 fabrikanten nemen samen de andere helft van de markt voor hun rekening." Of dit over de Nederlandse of de Europese markt gaat kan ik er zo snel niet uithalen.

In werkelijkheid is het een marktvorm die veel voorkomt. De producten zijn niet homogeen., maar sterk verwante substituten. De staalindustrie, computerindustrie, benzinemaatschappijen, banken, internetproviders, auto-industrie zijn een paar voorbeelden. Een paar ondernemingen beheersen het aanbod helemaal of voor een groot gedeelte.

Het gebeurt niet vaak, maar in dit geval lijkt het erop dat je mogelijk gewoon slimmer bent dan de docent. Een van de redenen hiervoor kan zijn dat in het Nederlandse onderwijs, of in ieder geval in het WO (HBO zal lijkt me niet veel anders zijn), de standaardantwoorden per docentenvergadering worden vastgesteld. Ik heb zelf in het verleden een keer gehad dat ik in beroep ging tegen het fout rekenen van een tentamenantwoord, uitkwam bij de professor en voorzitter van de vakgroep, die mij over zijn bril aankeek, zuchtte, en toen zei "Weet je, ik ben het met je eens maar de meerderheid denkt conform het gekozen standaardantwoord". Mijn antwoord werd alsnog goed gerekend, en de implicaties voor het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs hebben we verder maar onbesproken gelaten.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100