Hoe weet je bij het benoemen van een interval (muziek) of je overmatig of klein moet gebruiken?

Een voorbeeld: je hebt een tweeklank die bestaat uit een f en een as / gis.
De grondtoon is de f.

Je gaat dit interval benoemen.

De F majeurtoonladder is f - g - a - bes - c - d - e - f.

De bovenste toon van het interval, de as / gis, ligt niet op deze toonladder.

Je kunt dit interval dan op twee manieren benoemen:
- overmatige secunde (f - g en dan een halve omhoog)
- kleine terts (f - g - a en dan een halve noot omlaag)

Is beide van deze manieren goed of maar een manier? En waarom?

Ik dacht zelf dat alleen de tweede manier goed is (kleine terts), omdat de F majeurtoonladder die je gebruikt om dit interval te benoemen ook alleen maar uit mollen bestaat.

Toegevoegd na 17 minuten:
Ik bedoelde dat de F majeurtoonladder die je gebruikt om het interval mee te benoemen alleen maar in mollen wordt uitgedrukt.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

In de praktijk zijn as en gis hetzelfde. Alleen in theorie verschillen ze en wel precies om de reden die je zelf aankaart: Het interval f - gis is een overmatige secunde. Het interval f - as is een kleine terts. En inderdaad, omdat de grote toonladder in f in mollen wordt uitgedrukt, zal de gis/as, toegepast in een liedje, aangeduid worden als een mol, dus een as. Daarom is het een kleine terts.

Het lijkt mij meer een kwestie van majeur/mineur. De grondtoon kan wel f zijn, maar dan kun je het muziekstuk nog steeds in mineur spelen. Dan is dit de kleine terts. Als de rest majeur is, lijkt me de verghoogde secunde beter op z’n plaats. En F majeur alleen mollen? Eentje maar. Het zou wel een reden zijn om van een as te spreken ipv gis.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100