Algemene Relativiteitstheorie aangetoond met atoomklok?

ik moet een werkstuk maken hierover en op wikipedia vond ik dit: "Een gevolg van de algemene relativiteitstheorie is, dat een klok die h hoger staat in een zwaartekrachtveld met valversnelling g sneller loopt, namelijk met een factor
Dit is aangetoond met behulp van een atoomklok."
Hoe is dat dan aangetoond, kan iemand mij die uitleggen?

Toegevoegd na 3 uur:
Trouwens hoe zat het nou precies. gaat de tijd langzamer als je sneller gaat, of als je je verder van de aarde beweegt (verder van de zwaartekracht) ?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

door een atoom klok in een vliegtuig te plaatsen en die naar een ritje om de aarde weer naast zijn collega atoomklok te plaatsen kan je het verschil zien tussen de beide klokken. in theorie zou ook een atoomklok op de evenaar langzamer moeten lopen dan een atoomklok op de noord of zuid pool omdat de polen ongeveer 21 km dichter bij de kern van de aarde liggen.

Misschien kom je er uit met behulp van het (engelstalige) wikipedia artikel hieronder?

Bronnen:
http://en.wikipedia.org/wiki/Gravitational...

Ik denk dat je leerkracht zwaar de fout in gaat. De begrijpbare theorie van Einstein is de SRT (Speciale Relativiteitstheorie) en NIET de ART (algemene). De Einstein-postulaten van de SRT zijn immers nog begrijpelijk met o.a. de Lorentztransformaties versus de Galileïsche transformatie. Ik leg het iets eenvoudiger uit, zoals Einstein het in de metro bedacht: Als je twee perfecte klokken in je jaszak stopt, lopen die na 20 jaar nog steeds gelijk. Als je echter één ervan in een snelle trein zet, en je bekijkt ze met een telescoop, dan zie je dat de klok op de trein steeds meer achter loopt. Als jouw secondenwijzer één toer aflegt, legt het BEELD van de treinklok dat je in de telescoop ziet, slechts bijv. 5/6de of drie kwart van die toer af. Ergens kun je dit wel begrijpen dat dit normaal is zoals bij supernova-verhalen omdat het licht een steeds grotere afstand moet afleggen om het een steeds grotere weg moet afleggen, maar in werkelijkheid kan de klassieke fysica dit fenomeen van 'vertraging van de klokken' helemaal niet verklaren, want het speelt GEEN rol of de andere klok nu verder weg gaat dan wel dichter komt (de andere klok versus onze stilstaande klok vertoont ALTIJD een vertraging). De SRT (niet de ART melden, die begrijp ik ook nog lang niet helemaal na jaren studie) heeft daar geen enkele moeite mee, en het is dat wat Einstein 'simpel' uitlegt door een waarnemer P (= Perronwaarnemer) te plaatsen die de trein bekijkt, en waarmee een formule wordt opgebouwd met de zeer hoge snelheid V (bij kleine snelheden is er immers niets aan de hand, het verhaal start pas als je naar de lichtsnelheid gaat die net door de SRT ook een verklaring voor haar maximumsnelheid krijgt) terwijl de waarnemer W (die mee of 'With the train' is). W ziet op de trein het licht bij hem kaatsen tussen twee vaste plaatsen S1 en S2, maar voor de waarnemer zijn dat geen vaste plaatsen. De lichtsnelheid is een constante c maar tussen twee 'tikken' van de tijdsklok in, legt het licht de weg ADC af en genereert dus een 'tijdsinterval'. Met de stelling van Pythagoras (driehoeksmeting licht heen en weer in spiegel) kun je nu delta t berekenen en het verschil ervan voor waarnemers P versus W. Zo kun je volgen dat het relativistisch vertragingseffect pas groot wordt als V bijna gelijk wordt aan de lichtsnelheid. Let wel, W keert dus jonger terug na de reis, maar denk eens door: P wordt ook jonger vanuit het standpunt van... W!

Bronnen:
Speciale relativiteitstheorie overal een...

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100