Hoe bereken je de eindtemperatuur als je twee objecten van verschillende temperaturen bij elkaar voegt?

Bijvoorbeeld: je hebt een blok ijzer van 3kg dat een temperatuur heeft van 600°C en dat stopt je in een bak water met een volume van 1,0m³ en dat water heeft een temperatuur van 20°C.

Hoe bereken je dan de eindtemperatuur?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Dit kan je berekenen met de formule Q= m x c x T Q = Warmtehoeveelheid in Joule m = massa in kg. c = soortelijke warmte of ook wel warmte energie. in joule/(kg x K ) T = temperatuur verschil ken het delta teken echter niet vinden daarom dus enkel een T ( voor temperatuur horen we eigenlijk Kelvin te gebruiken maar omdat hier sprake is van temperatuur verschil maakt de eenheid niet uit Kelvin en graden Celsius zijn beide goed ) de gegevens zijn. massa ijzer = m1 = 3 kg. massa water = m2 = onbekend. temperatuur IJzer = T1 = 600 graden Celsius. temperatuur Water = T2 = 20 graden Celsius. Volume water = V = 1 m3 p = rho = dichtheid eenheid van dichtheid is kg/m3 c ijzer = c1 = 460 joule / ( kg x K ) c water = c2 = 4190 joule / ( kg x K ) Warmtehoeveelheid ijzer = Q 1 = Joule Warmtehoeveelheid water = Q 2 = Joule ( bron voor soortelijke warmte mijn tabbelen boek ) de massa willen we weten. nu is de dichtheid zelf niet gegeven deze zoeken we dus op om achter de massa te komen van 1m3 water op 20 graden Celsius. ( let op de temperatuur heeft invloed op de dichtheid ) water heeft een dichtheid van 998,23 kg/m3 bij een temperatuur van 20 graden celsius. ( bron voor dichtheid water bij 20 graden Celsius mijn tabellen boek ) p = massa / volume p = m/V 998,23 = m / 1 998,23 m =————- 1 m = 998,23 kg nu weten we dus ook de massa van het water. dus gaan we verder met Q = m x c x T Temperatuurverschil brekenen we met T = t2 - t 1 T = 600 - 20 T = 580 Q1 = m1 x c1 x T1 Q1 = 3 x 460 x 580 Q1 = 800400 Joule ( warmtehoeveelheid ijzer ) Q2 = m2 x c2 x T2 Q2 = 998,23 x 4190 x 580 Q2 = 2.425.898.546 Joule nu weet ik hoeveel energie elke stof bevat en wat ze aan elkaar over geven. de eind temperatuur gaan we nu berekenen door. Q = Q2 - Q1 Q = 2425898546 - 800400 Q = 2.425.098.146 joule Q = m2 x c2 x T 2425098146 = 998.23 x 4190 x T 2425098146 T =————————— 998,23 x 4190 T = 579,808635 Deze temperatuur verlaging ondergaat het ijzer door de warmtehoeveelheid van het water. daarom trekken we dit af van het begin temperatuur van het ijzer. 600 - 579,808635 = 20,19136497 graden Celsius = eindtemperatuur Water en IJzer Lange uitleg heb dat je er wat aan hebt. het kan ook nog op andere manieren. maar helaas heb ik te weinig letters over.

Je moet rekenen met de calorische warmte (de hoeveelheid warmte-energie die een stof kan opnemen). Noemt T de eindtemperatuur. De hoeveelheid warmte die het blok ijzer afgeeft om van 600° naar T° te gaan moet gelijk zijn aan de hoeveelheid warmte die het water opneemt om van 20° naar T° te gaan. massa(ijzer)xC(ijzer)x(600-T)=massa(water)xC(water)x(T-20). Hieruit kan je dan T halen.

Dit kan je berekenen met de formule Q= m x c x T Q = Warmtehoeveelheid in Joule m = massa in kg. c = soortelijke warmte of ook wel warmte energie. in joule/(kg x K ) T = temperatuur verschil ken het delta teken echter niet vinden daarom dus enkel een T ( voor temperatuur horen we eigenlijk Kelvin te gebruiken maar omdat hier sprake is van temperatuur verschil maakt de eenheid niet uit Kelvin en graden Celsius zijn beide goed ) de gegevens zijn. massa ijzer = m1 = 3 kg. massa water = m2 = onbekend. temperatuur IJzer = T1 = 600 graden Celsius. temperatuur Water = T2 = 20 graden Celsius. Volume water = V = 1 m3 p = rho = dichtheid eenheid van dichtheid is kg/m3 c ijzer = c1 = 460 joule / ( kg x K ) c water = c2 = 4190 joule / ( kg x K ) Warmtehoeveelheid ijzer = Q 1 = Joule Warmtehoeveelheid water = Q 2 = Joule ( bron voor soortelijke warmte mijn tabbelen boek ) de massa willen we weten. nu is de dichtheid zelf niet gegeven deze zoeken we dus op om achter de massa te komen van 1m3 water op 20 graden Celsius. ( let op de temperatuur heeft invloed op de dichtheid ) water heeft een dichtheid van 998,23 kg/m3 bij een temperatuur van 20 graden celsius. ( bron voor dichtheid water bij 20 graden Celsius mijn tabellen boek ) p = massa / volume p = m/V 998,23 = m / 1 998,23 m = --------- 1 m = 998,23 kg nu weten we dus ook de massa van het water. dus gaan we verder met Q = m x c x T Temperatuurverschil brekenen we met T = t2 - t 1 T = 600 - 20 T = 580 Q1 = m1 x c1 x T1 Q1 = 3 x 460 x 580 Q1 = 800400 Joule ( warmtehoeveelheid ijzer ) Q2 = m2 x c2 x T2 Q2 = 998,23 x 4160 x 5801 Q2 = 2.408.529.344 Joule nu weet ik hoeveel energie elke stof bevat en wat ze aan elkaar over geven. de eind temperatuur gaan we nu berekenen door. Q = Q2 - Q1 Q = 2408529344 - 800400 Q = 2.407.728.944 joule Q = m2 x c2 x T 2407728944 = 998.23 x 4160 x T 2407728944 T = ------------------ 998,23 x 4160 T = 579,807255 Deze temperatuur verlaging ondergaat het ijzer door de warmtehoeveelheid van het water. daarom trekken we dit af van het begin temperatuur van het ijzer. 600 - 579,807255 = 20,192745 temperatuur Water en IJzer Lange uitleg heb dat je er wat aan hebt. het kan ook nog op andere manieren. maar helaas heb ik te weinig letters over. Succes.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100