Waarom lijkt de maan bij het opkomen en ondergaan zo groot, terwijl hoog aan de hemel hij kleiner lijkt?

Het valt mij op dat als de maan opkomt/ondergaat dat hij echt heel groot is en als hij hoog aan de hemel staat echt veel kleiner kijkt. Toch is de afstand van de aarde naar de maan op beide momenten even groot.

nou, ik volg alles met grote interesse. ik ga er over 5 dagen goed voor zitten, alles goed lezen en dan het beste (voor mij dan :o) ) antwoord kiezen. bedankt voor al jullie reacties en geen ruzie a.u.b. :o)

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Ik ga toch nog een antwoord geven. De maan lijkt aan de horizon groter dan aan de hemel, omdat de maan aan de horizon in een andere context wordt gezien dan aan de hemel. Het is dus een kwestie van perceptie. De maan levert gedurende de nacht telkens dezelfde projectie op je ogen op. De maan wordt dus niet groter of kleiner afgebeeld op je ogen. Een lens-werking van de atmosfeer is daarom ook zeer onwaarschijnlijk. Dat de maan dezelfde projectie oplevert gedurende de nacht kun je controleren door 's nachts op verschillende tijdstippen foto's van de maan te maken. De maan zal telkens even groot zijn. Er moet dus iets gebeuren tussen het moment van waarneming en bewustwording: de perceptie. Wanneer de maan aan de horizon wordt bekeken, wordt deze omgeven door een uitgestrekte aarde die verdwijnt in de horizon. De maan hangt daar wat boven/achter. De maan lijkt dus ver weg te staan. In het geval van de maan aan de hemel is er geen context. De maan lijkt dan dus dichtbij (dichtbij ten opzichte van de maan aan de horizon) te staan. Nu gaat de projectie van de maan op je oog een rol spelen. De maan aan de horizon lijkt dus verder weg te staan, maar levert een even grote projectie op je oog op als de maan aan de hemel. De maan aan de horizon is volgens jouw hersenen dan dus groter dan de maan aan de hemel. Lastig te volgen? Vergelijk het eens met een in perspectief getekende weg met daarop poppetjes van dezelfde grootte op verschillende locaties getekend (zie de afbeelding). De hersenen gebruiken de context om de 3D-wereld te kloppend te maken. In het geval van de poppetjes lijkt het achterste poppetje dus enorm groot. Net als de maan, lijkt dit poppetje verder weg te staan. Het poppetje is echter nog even groot als de andere twee poppetjes (die dichtbij staan) en daarom lijkt het achterste poppetje zo groot.

Ik zag laatst een maan opkomen, die was zo groot als een meloen... maar hij kwam op in het oosten, dus de zon kon het niet zijn. Door de atmosfeer wordt het beeld van de maan vertekend, ik zal zo eens voor je opzoeken hoe dat ook al weer heet.

Ik denk dat het vooral te maken heeft met het perspectief waarin je de maan op dat moment ziet. Als de maan net opkomt zie je hem in vergelijking met bijvoorbeeld gebouwen of bomen en dan is het natuurlijk een enorm object. Als de maan eenmaal hoog aan de hemel staat zie je hem in een enorme oneindige leegte en lijkt hij dus kleiner.

De afstand van de maan tot de aarde is op beide momenten even groot, maar het deel van die afstand dat de lichtstralen door de dampkring afleggen voor ze jouw ogen bereiken, is dat niet.

Het antwoord van Innuendo is het juiste. Het heeft met de context in je gezichtsveld te maken. Zie je de maan tussen de silhouetten van huizen of bomen of andere dingen, dan zie je hoe groot die schijf aan de hemel eigenlijk is. Zie je de maan echter helemaal alleen hoog in die grote hemelkoepel staan, dan lijkt ie relatief klein. Als je een foto zou maken van je groot lijkende maan, en een foto van je klein lijkende maan, en je zou met een lineaal op de afdruk de grootte meten, dan zul je zien dat ze even groot zijn.

Lenswerking van de dampkring. Optische vervorming dus. Met context heeft het niets van doen.

Hetzelfde effect zorgt voor kleurverandering bij het opkomen en ondergaan van de zon. De atmosfeer van de aarde zorgt voor dat het licht als door een lens op je afkomt. Echter, jij zit in het midden van de lens (ten opzichte van jou), als de maan recht boven je is, is de verspreiding van licht over de lens ten opzichte van het brandpuntsafstand laag (dus zie je een kleine maan). Wanneer je echter de maan langs de schuine kant (buitenkant) van je ‘lens’ ziet, wordt het licht door de buiging van de ‘lens’ verspreid (spectrums enzo, je weet wel natuurkunde). Dit zorgt ervoor dat het beeld dat jij krijgt van de maan veel groter is. Waarom is dit bij de zon niet zo? Omdat de zon in alle gevallen veel verder weg staat en het brandpunt dus ook sterk verschilt.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100