Hoe kunnen de gelovigen uit het oude testament in de hemel komen, Jezus was er toen nog niet om de zonde te betalen?

Jezus is gestorven voor onze zonden. Zodat wij naar de hemel kunnen en het eeuwige leven hebben.

Maar hoe zit dat dan voor de mensen uit het oude testament? Zij hebben ook gezondigd. En 1 zonde is genoeg om niet bij God te kunnen zijn. Jezus was er toen nog niet.

Kan iemand dat uitleggen?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Dat heb hje goed opgemerkt. De gelovigen van het oude testament waren idd niet naar de hemel opgestegen. Jezus zei immers tegen Nikodemus dat dit nog nooit was gebeurd. Johannes 3: 13 Er is nog nooit iemand naar de hemel opgestegen, alleen hij die van de hemel is neergedaald: de Mensenzoon.’ Jezus steeg drie dagen na zijn dood op naar zijn Vader in de hemel, toen opende HIJ de poorten van de hemel voor gelovigen die met Hem zouden mee regeren. Anderen zouden op aarde vertoeven. 2 Petrus 3: 13 Maar hij heeft ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde beloofd, waar gerechtigheid zal heersen, en daar zien we verlangend naar uit.

We geloven, zoals dat in de apostolische geloofsbelijdenis omschreven is, dat Jezus is nedergedaald ter helle. "De gestorven Christus is met zijn ziel, die verenigd is met zijn goddelijke persoon, afgedaald in het dodenrijk. Hij heeft voor de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, de poorten van de hemel geopend". Het citaat is overgenomen uit de Catechismus van de Katholieke Kerk, tekstnr. 637. Nr. 636: "Met de woorden 'Jezus is nedergedaald ter helle' belijdt de geloofsbelijdenis dat Jezus werkelijk gestorven is en dat Hij door zijn dood voor ons de dood en de duivel, 'de vorst van de dood' (Heb. 2, 14) overwonnen heeft."

Even los van iemands bestemming (hemel/hel/aarde) want dat is een andere discussie: Zie Romeinen 3:25 en 26: http://www.biblija.net/biblija.cgi?m=romeinen+3%3A25-26&id42=1&id18=1&id17=1&id47=1&id16=1&id37=1&id35=1&l=nl&set=10 Vóór Jezus' offer was er nog geen volledige vergeving mogelijk. Gods aanbidders moesten onvolmaakte (dierlijke) offers brengen om een mate van rechtvaardigheid door God toegerekend te krijgen; in die tijd oefende God verdraagzaamheid. Jezus' offer is echter met terugwerkende kracht ook van toepassing op de zonden die voordien zijn begaan. Het was voor God zó zeker dat dat offer gebracht zou worden, dat het voor Hem dus enkel nog een kwestie van tijd was.

Alle offers die in het Oude Testament gebracht moesten worden, wijzen reeds naar Jezus heen. En lees Hebreeën maar eens, vooral hoofdstuk 9 -gaat over die offers- en hoofdstuk 11, gaat over dat mensen in het Oude Testament ook door geloof werden gered....

Vrijwel elk geloof heeft wel iets van een hemel en hel. Immers, goed gedrag binnen de gemeenschap moet beloond worden na je dood is de gedachte. De straf is bij slecht gedrag hel, de fatale afrekening. Wie ergens in gelooft ( en dat is niet iedereen), ziet alle mogelijke religieuze geschriften ( denk aan de tien geboden) als een primitieve manier van wetgeving en dan is het ook logisch dat die van goddelijke afkomst zijn. In het Christelijke geloof zie je ook de evangelisten het Nieuwe Testament schrijven, gestuurd door een goddelijke hand. Immers, je verwacht niet dat Pietje of Jantje even een en ander noteert en iedereen daar in meegaat. Heilige teksten worden gelegitimeerd door Goddelijk ingrijpen.En dat is geloof. Van welke god dan ook, en er zijn er een heleboel, elk geloof heeft hun eigen unieke godheid of goden. Kijk naar de oude Egyptenaren en de Romeinen en Grieken. Een vorm van afrekening na de dood bestaat altijd.Tenzij je nergens in gelooft. Dan is dood dood en einde oefening .De hel maken je medemensen tijdens je leven wel, kijk maar om je heen. Dus kan je vanuit het Oude Testament heel duidelijk een hemel/hel aanwijzen, ook als Jesus er nog helemaal niet op aarde was geweest. Tussen het schrijven van het Oude Testament en het leven van Jesus zijn we immers al een paar duizend jaar verder. Die tien geboden waren er al wel.

Het Koninkrijk der hemelen, het Godsrijk en ook “volheid Gods” genoemd, bleef gedurende de gehele OT-tijd toegesloten voor alle rechtvaardigen, die in die tijd geleefd hebben. Zij konden na hun overlijden niet hoger of verder komen dan het paradijs; een oord, buiten of boven de aarde en hemelsferen; een oord waar alle rechtvaardigen in die tijd terechtkomen wiens zonden zijn vergeven. Denk o.a. bijv. aan deze psalm van David, die een man naar Gods hart wordt genoemd: “Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden”. http://www.biblija.net/biblija.cgi?l=nl&set=10&id16=1&m=Ps+32 “Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen”. http://www.biblija.net/biblija.cgi?l=nl&set=10&id16=1&m=Rom+4 De rest van het hoofdstuk geldt allen, die net als Abraham, door te geloven rechtvaardigen genoemd worden. Dit voorrecht loopt vooruit op de komst van Jezus, die vele jaren later, en pas zo’n 2000 jaren geleden plaatsvond. Ook al degenen, die Hem aanroepen in het NT, dus tijdens en na Jezus’ komst op aarde, komen in dat oord, het paradijs; “want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden”. http://www.biblija.net/biblija.cgi?l=nl&set=10&id16=1&m=Rom+10 Denk bijv. aan de moordenaar die naast Jezus aan het kruis hing. Op het laatste moment van zijn leven kreeg hij berouw van zijn zonden. “ En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”. http://www.biblija.net/biblija.cgi?l=nl&set=10&id16=1&m=Luc+23