Wat is het verschil tussen een bijwoordelijke bepaling en een voorzetselvoorwerp?

Ik heb binnenkort een belangrijk tentamen. Hierin moet ik zinnen ontleden en aangeven of het in de zin gaat om een bijwoordelijke bepaling/bijwoordelijke bijzin, of een voorzetselvoorwerp(szin)
Nu heb ik op internet rondgekeken en een aantal oefeningen gemaakt, maar ik kom er niet uit hoe je deze twee nou uit elkaar kan houden. Heeft iemand hier een trucje voor? Zodat ik de zinnen goed kan ontleden. Alle hulp is welkom, want met de uitleg van internet zelf kom ik er niet uit...

Weet jij het antwoord?

/2500

De uitleg op https://nl.wikipedia.org/wiki/Voorzetselvoorwerp is hierover toch redelijk duidelijk: "Het voorzetselvoorwerp is een zinsdeel dat altijd met een vast voorzetsel begint. Het komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel en het verbindt wat achter het voorzetsel staat met het gezegde." Dit geldt niet voor een bijwoordelijke bepaling. Kijk voor meer handige tips op die website. Er worden er (nu) vier genoemd.

Bronnen:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bijwoordelij...
https://nl.wikipedia.org/wiki/Voorzetselvoorwerp

Als je twijfelt welke van de twee het is, dan moet je er een zin mee maken met "er" + voorzetsel +"dat". Stel: je hebt een zin waarin "rekenen op" voorkomt. Hij rekent op een cadeau. Hij rekent erop dat (hij een cadeau krijgt.) Die zin is te maken dus "op een cadeau" is voorzetselvoorwerp. "Op" is hier het vaste voorzetsel van "rekenen op (iets)". Andere: hij rekent op een rekenmachine. Daar is die zin niet mee te maken. Hier gaat het dus om het gewone werkwoord "rekenen", niet om "rekenen op". "Op een rekenmachine" is bepaling. (Als de zin uitgelegd moet worden als "Hij rekent erop dat hij een rekenmachine krijgt" is "op een rekenmachine" natuurlijk wel een voorzetselvoorwerp...) Bang zijn voor... Hij is bang voor de hond. Hij is er bang voor dat (de hond bijt). "Voor de hond" is voorzetselvoorwerp.

Een voorzetselvoorwerp herken je zo; Alle delen die bij een werkwoord horen om de zin compleet te maken, kan je zien als voorwerpen. Zijn het varianten op iets of iemand (zonder voorzetsel) dan zijn het lijdende voorwerpen. Moet er een voorzetsel bij, dan zijn het voorzetselvoorwerpen. Kan er een voorzetsel bij maar hoeft dat niet, ( het gaat dan om aan, voor of bij) dan zijn het meewerkende voorwerpen. Ook als je 'me/mij ' kan weglaten in een uitroepende zin is dit 'me' meewerkend voorwerp ( 'dat is (voor) mij te moeilijk!") Ook bij een naamwoordelijk gezegde heb je soms voorwerpen, maar dat zijn dan altijd meewerkende voorwerpen als in 'Het is mij te lastig' of voorzetselvoorwerpen als in 'Ik ben trots OP iets'. Er zijn ook werkwoorden met twee voorwerpen, waarbij je het ene als lijdend voorwerp moet beschouwen en het andere als voorzetselvoorwerp bijv... 'Iets MET iets vergelijken'. Het eerste 'iets' is het lijdend voorwerp ('wat'... wordt vergeleken) en 'met iets' is het voorzetselvoorwerp omdat het voorzetsel 'met' hier verplicht is. De bijwoordelijke bepaling is het deel van de zin dat veel vertelt over 'waar, wanneer of hoe' iets gebeurt. Je kunt dan vragen stellen als ; hoe laat? wanneer? door wie? met wie? hoeveel? waar? enz.... Woorden als 'hoe', 'niet', 'wel' horen ook bij de bijwoordelijke bepaling als zinsdeel. Ze hebben dus vaak te maken met 'tijd, plaats, omstandigheden, oorzaak, gevolg, reden en ze beginnen vaak met een voorzetsel. Bijv; 'Ik ga zaterdag met mijn moeder naar de stad'.... Wanneer? ....zaterdag Met wie? .....met mijn moeder Waarheen?.....naar de stad Of; ' We maken elke week een autoritje langs de stad'.... Wanneer? ....elke week Waar?.....langs de stad.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100