Hoe vind je het WG, LV, MV, BWB?

Hoi :D!
Ik zit nu op mavo, en wil graag na havo/vwo klas. Daarvoor moet k toetsen maken, van nederlands vn grammatica en spelling van havo/vwo.. Probleem; k kan geen grammatica.. Dus kweet niet hoe je t werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, en bijwoordelijke bepaling moet vinden. Weet iemand t? :D (Wel duidelijk zijn ajb :$)

Toegevoegd na 52 seconden:
En meervoud (vergeten erbij te zetten)

Weet jij het antwoord?

/2500

WG zijn alle werkwoorden in een zin. Dit is alleen wanneer het belangrijkste werkwoord in een zin NIET zijn, worden, blijven, blijken, lijken of schijnen of een vervoeging daarvan is. Je vind het LV door de vraag te stellen: Wie/Wat + gezegde + Onderwerp? Wat daar uitkomt, is het LV. MV door de vraag: Aan wie/voor wie + gezegde + O? Komt daar een fatsoenlijk antwoord uit, dan is dat het MV. Er is alleen een MV in een zin met een WG.

WG; alle werkwoorden in een zin, het zegt iets over wat het onderwerp doet. bijv. vader schrijft een brief (schrijft =werkw) of; vader moet nog een brief schrijven. ( moet schrijven=WG) Zou je dat willen doen? ( zou,willen,doen= WG) LV; Vraag 'wat' in een zin. Bijv; de boer melkt de koe. Wie melkt de koe= de boer. Hij is het onderwerp want het gaat over hem Wat melkt de boer= de koe. Deze is het LV omdat deze eronder lijdt, die moet de handeling ondergaan. Je kunt ook de zin omdraaien, dan begin je met de koe en zet er wordt of is(zijn) bij. De koe wordt gemolken, zet nu 'door'erbij'en je krijgt ; de koe wordt door de boer gemolken. je hebt nu de zin verandert van een actieve in een passieve zin. Wat opvalt is dat je het woordje 'door' hebt toegevoegd. Dat woord samen met 'de boer' vormt nu de BWB. Wat je ook hebt toegevoegd is een vorm van 'worden' 'of zijn' Een BWB voegt atijd extra informatie in een zin toe, het zegt iets over het gezegde, geeft een reden, oorzaak, gevolg, doel of hoeveelheid aan. Als je het weglaat wordt de zin niet krom. Vraag je af; waar, wanneer,waarmee, waardoor,hoe of wat. Je hebt bep. van plaats, richting, tijd, wijze, middel,reden, oorzaak, voorwaarde. Bijv. Het boek ligt op tafel.(waar ligt het boek? 'op tafel'=BWB (bep. van plaats) Ze liepen naar huis ( waarheen? = naar huis= BWB (bep.vanrichting) enz. MV; de woorden 'aan 'of 'voor' staan ervoor of je kunt die 2 woorden ervoor zetten. Let op! het moet wel betekenen 'bestemd voor'. Dirk vroeg jan een vuurtje. Je kunt hiervan maken; Dirk vroeg aan Jan een vuurtje. Jan is dus het MV. Dirk geeft een vuurtje aan Jan.(aan Jan=MV) Ik koop bloemen voor mijn moeder. (voor mijn moeder=MV) Meervoud; Ik (ow) ga (pv) zwemmen=(ow en pv zijn beide enkelvoud=enkelvoud. Wij (ow) gaan (pv) zwemmen= ( ow en pv zijn samen meervoud=meervoud. Het zijn er dus meer dan één (enkel) Let op! bij een woord als aantal en hoeveelheid lijken het er meer, maar dit zijn toch enkelvouden. bijv. Een aantal mensen gaat zwemmen. een massa kanshebbers heeft ingeschreven.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100